De schaduw van FIFA

Hoe de FIFA na de oorlog Duitsland en Japan buiten de poort hield

Na de Tweede Wereldoorlog hield de FIFA Duitsland en Japan aan de zijlijn, terwijl Italië bijna geruisloos weer bij het internationale voetbal aanschoof

Op 26 juni 1949 ontvangen de spelers van het Duitse BSV 92 het Zweedse AIK Stockholm in Berlijn. Het is de eerste internationale vriendschappelijke voetbalwedstrijd in de stad sinds de oorlog. Bundesarchiv, Bild

Ondanks zijn neutraliteit had Zwitserland ook de gevolgen gevoeld van de zes jaar waarin de Tweede Wereldoorlog Europa geselde. Alleen stonden de huizen er nog, reden de trams door de steden en was de bevolking gevrijwaard gebleven van een Duitse bezetting. In het buiten schot gebleven Zürich probeerde de FIFA tijdens die oorlogsjaren het mondiale voetbal stug draaiende te houden, hoe moeilijk dat soms ook was in een wereld waarin U-boten, Avro Lancaster-bommenwerpers en militaire konvooien internationaal reizen haast onmogelijk maakten. Toch kreeg de wereldvoetbalbond pas nadat er weer vrede was het moeilijkste vraagstuk van de oorlog te verwerken.

Het dagelijks bestuur van de FIFA leek even ongeschonden uit de oorlog te zijn gekomen als haar thuisstaat. Jules Rimet was nog steeds de hoogste in de pikorde en de 72-jarige mastodont combineerde dat met de voorzittershamer van de Franse voetbalbond. Met de geboren Duitser, maar al jarenlang in Zwitserland wonende, Ivo Schricker als secretaris en de Belgische vicevoorzitter Rodolphe Seeldrayers had hij twee secondanten die hem al sinds begin jaren dertig vergezelden.

Het drietal leidde in november 1945 dan ook de eerste naoorlogse vergadering, met als hoofdvraag: wat moest men doen met de aanstichters van de Tweede Wereldoorlog? Want Duitsland was op dat moment verslagen en bezet, Japan had gecapituleerd en in Italië was Mussolini gefusilleerd en ondersteboven opgehangen. De FIFA kon vervolgens moeilijk doen alsof de oorlog slechts een lange onderbreking van de competitie was geweest en de voormalige asmogendheden zonder meer weer aan tafel laten aanschuiven. Het was het zoveelste voorbeeld binnen de geschiedenis van de FIFA waarbij politiek en voetbal zich mengden. Een ongemakkelijk verstandshuwelijk waarvan men op de Zwitserse burelen het bestaan het liefst ontkende.

Een bond die bleef bestaan

De rauwe werkelijkheid dat sport en politiek vaak hand in hand gaan, was in de zes jaar daarvoor al naar voren gekomen. Rimet en zijn organisatie probeerden tussen 1939 en 1945 het internationale voetbalnetwerk bijeen te houden. Door de oorlog was het voorgenomen WK van 1942 nooit van de grond gekomen en waren er maar sporadisch internationale voetbalwedstrijden. In Europa werd er vooral op nationaal competitieniveau gevoetbald; in Zuid-Amerika waren er wel interlands. De Copa América werd zelfs drie keer gespeeld in de jaren dat Europa, Afrika en Azië gebukt gingen onder oorlogsgeweld. De duels aan de zuidelijke kant van de aardbol waren zelfs van wezenlijk belang voor de FIFA, omdat de bijbehorende afdrachten vrijwel haar enige inkomstenbron vormden.

De FIFA kon tijdens de oorlogsjaren zelfs twee nieuwe leden verwelkomen. Kroatië en Slowakije zagen door de nieuwe kaartindeling van Europa het levenslicht als vazalstaten van nazi-Duitsland. Omdat de FIFA zelf ook neutraliteit betrachtte, werden beide landen aangenomen: Slowakije in 1939 met een volledig lidmaatschap, Kroatië moest het twee jaar later doen met een voorlopige plek in de ledenadministratie. In 1945 verdwenen beide landen voor bijna vijftig jaar uit de kaartenbak toen ze opgingen in Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije.

Een eenvoudige pennestreep door het lidmaatschap was niet voor Duitsland weggelegd. De Duitse voetbalbond was tijdens de dictatuur van Adolf Hitler opgegaan in de staatssportorganisatie, een instelling die net als het hele Derde Rijk tenietging in de maanden na de capitulatie van 8 mei 1945. Zodoende bestond er geen Duitse voetbalbond, dus ook geen federatie die lid kon zijn van de FIFA.

De Brandenburger Tor en de puinhopen van Pariser Platz, begin juni 1945Bundesarchiv

Japan zat in hetzelfde vaarwater. Ook daar was de voetbalbond tijdens de oorlogsjaren verdwenen en opgegaan in de door de staat aangestuurde sportkoepel Dai Nippon Taiiku Kai. In de eerste maanden na de overgave van Japan was er vanuit Zürich vrijwel geen contact te krijgen met Tokio, waardoor men niet precies wist hoe de vork in de steel zat. De FIFA noteerde daarom tijdens haar overleg in november 1945 dat in Duitsland en ‘waarschijnlijk ook in Japan’ geen landelijke organisatie meer bestond die internationale voetbalbetrekkingen kon onderhouden. Daarop verbood de FIFA haar aangesloten bonden, clubs en spelers tot nader order iedere sportieve betrekking met Duitse en Japanse clubs en voetballers. Omdat er formeel geen bonden waren, hoefde de FIFA ook niet over te gaan op een schorsing.

Het uitsluiten van Japan en Duitsland van het internationale voetbal kwam overeen met wat een aantal voetbalbobo’s zich in de eerste maanden van 1945 al had laten ontvallen. Randolph Manning, de oud-voorzitter van de Amerikaanse voetbalbond, schreef: ‘Mijn land zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat de vijandelijke naties, en hun marionetten en hansworsten, niet vertegenwoordigd zijn.’ De Belgische bestuurder Seeldrayers verklaarde na de Duitse overgave: ‘Duitsland staat in de ban der naties en kan niet worden toegelaten zitting te nemen in enig comité van een internationale organisatie’.

‘De marionetten en hansworsten’ kregen echter een vriendelijkere behandeling dan Manning had gewenst. Oostenrijk was door de Anschluss van 1938 als Ostmark onderdeel geworden van nazi-Duitsland, waarmee de Oostenrijkse voetbalbond werd ontbonden. De clubs speelden mee in de Duitse competities en Rapid Wien wist zelfs de landstitel en beker te pakken. Qua internationale vertegenwoordiging was er ook wat wezenlijks veranderd. Het Oostenrijkse elftal verdween en trok zich daarmee terug voor het WK van 1938. De beste spelers werden vervolgens opgenomen in de Duitse selectie.

Na de oorlog zag de FIFA Oostenrijk als bevrijd slachtoffer. De Oostenrijkse voetbalbond, de ÖFB, werd daarom in ere hersteld en maakte weer deel uit van het internationale voetbalnetwerk. Daarbij kwam de bond ook weer vertegenwoordigers van de voetbalbonden uit bezette landen als Nederland, België en Denemarken tegen. Die waren werkzaam bij bonden die onder het Duitse juk mochten voortbestaan, waardoor ze nooit officieel uit de FIFA waren weggeweest.

Dat was anders voor Noorwegen. Daar weigerden de meeste bestuurders en sporters zich in 1940 neer te leggen bij het nationaalsocialistische sportbestuursmodel dat de Duitsers voor ogen hadden in het Scandinavische land. De officiële sportorganisatie en daarmee ook de wedstrijden kwamen daardoor tijdens de Tweede Wereldoorlog vrijwel stil te liggen. Toen de vooroorlogse bond na de vrede weer aanklopte bij de FIFA, werd deze aangenomen alsof er niet vijf woelige jaren achter de rug waren.

Italië kreeg een nog zachtere landing

De meest opmerkelijke behandeling kreeg Italië. Waar Duitsland en Japan werden buitengesloten, kwam de op dat moment regerende wereldkampioen er gunstig vanaf. Sterker nog: tijdens de bijeenkomst van het Uitvoerend Comité van de FIFA van 10 tot 12 november 1945 speelde het nationale team van het Zuid-Europese land in Zürich zelfs de eerste naoorlogse interland tegen Zwitserland.

Dat de FIFA zo soepel omging met Italië kwam ook door de laatste oorlogsjaren. Na de wapenstilstand van september 1943 was Italië verdeeld in een koninkrijk in het zuiden en Mussolini’s staat in het noorden. In het bevrijde zuiden bleef de Italiaanse voetbalfederatie (FIGC) voortbestaan, terwijl in het door Duitsland bezette noorden een afsplitsing van de bond wedstrijden en een heus kampioenschap organiseerde.

Het Koninkrijk Italië koos vervolgens in het najaar van 1943 de geallieerde zijde en vocht daarna als medeoorlogvoerende tegen Duitsland. Dat maakte van Italië nog geen overwinnaar, maar vergemakkelijkte na 1945 wel zijn politieke en sportieve rehabilitatie.

Ottorino BarassiBiblioteca Nazionale Centrale di Firenze

Wat wellicht ook heeft meegespeeld, is de rol van Ottorino Barassi. De in Napels geboren scheidsrechter werd eind 1944 regent van de FIGC en vanaf 1946 zelfs bondsvoorzitter. Tijdens de bezetting van Noord- en Midden-Italië door de Duitsers haalde hij de wereldbeker uit een Romeinse bankkluis. Naar verluidt zou hij het kleinood hebben verstopt in een schoenendoos onder zijn bed. Volgens latere overlevering doorzochten Duitse militairen zelfs zijn woning. Ze waren op zoek naar de prijs zodat ze die aan hun verzameling prestigeschatten konden toevoegen. De schoenendoos bleef ongemoeid bij de huiszoeking en de wereldbeker overleefde op deze manier de oorlog. Dat huzarenstukje vormde, voor zover bekend, geen officieel argument om Italië ongemoeid te laten, maar kwaad zal het de Italiaanse zaak niet hebben gedaan.

Daarmee kwam Italië in het rijtje met Hongarije, Roemenië en Bulgarije en Finland. De drie Oost-Europese landen waren voormalige bondgenoten van Duitsland; Finland had aan Duitse zijde tegen de Sovjet-Unie gevochten.

Zodoende stonden Duitsland en Japan er alleen voor. Die uitzonderingspositie werd in Luxemburg, op het eerste naoorlogse FIFA-congres in juli 1946, nogmaals bevestigd. Daar werd de bijsluiter nogmaals meegegeven dat aangesloten voetbalbonden en clubs geen sportieve betrekkingen mochten onderhouden met Duitse en Japanse organisaties en verenigingen. Ook internationale spelerstransfers werden aan banden gelegd. Terwijl het internationale voetbal in Europa, Afrika en Azië weer op gang kwam, bleven de twee landen in een vrijwel volledig isolement.

Dat de maatregel amper te handhaven was, bleek al spoedig in het door de geallieerden bezette Duitsland. Britse militairen speelden bijvoorbeeld tegen Duitse selecties, mede ingegeven door de ideologie dat sport een ideaal middel was voor heropvoeding. Nog bonter maakte Zwitserland het. In 1947 had het land al opgeroepen om het speelverbod van tafel te vegen. Op 10 oktober 1948 ging het een stapje verder door met stadsselecties uit Zürich, St. Gallen en Bazel naar Stuttgart, München en Karlsruhe te trekken om te spelen tegen Duitse afvaardigingen. Voor de FIFA was het extra pijnlijk dat de Amerikaanse militaire regering de ontmoetingen niet alleen had toegestaan, maar zelfs had helpen organiseren. De Zwitserse bond probeerde de schade te beperken door de organisatoren een vrijwel symbolische boete van vijfhonderd frank op te leggen en zo een eventuele FIFA-ban te voorkomen.

Goede Duitsers

Vanuit Duitsland kwamen er ook oproepen voor een terugkeer in het internationale voetbal. Een groot voorvechter daarvan was Peco Bauwens. Hij was als scheidsrechter en bestuurder tijdens de jaren van Hitlers Duitsland een bezige bij geweest in de Duitse voetballerij en had trouw de bevelen van het regime opgevolgd. Zijn belangrijkste dossier was in de jaren dertig dan ook het vergroten van de Duitse invloed binnen de FIFA.

Daardoor kende hij de organisatie op zijn duim en fungeerde hij als een ideaal oliemannetje om het herintrede op de agenda te zetten. Dat hij nazisympathisant zou zijn geweest, wuifde hij weg, om vervolgens met oude kennissen aan te pappen. Hij kreeg steeds meer een voet tussen de deur in Zürich en liet de FIFA-voorzitter zelfs de woorden ontvallen dat er ook ruimte moest zijn voor ‘goede Duitsers’. Het was typisch voor de naoorlogse FIFA, die intern nog heel erg op de voetbalbond uit het interbellum leek. De sfeer van oude-jongens-krentenbrood voerde de boventoon.

Wat Duitsland in de kaart speelde, was dat de pionnen op het geopolitieke spelbord van plaats veranderden. Voor West-Europa en de Verenigde Staten was niet langer West-Duitsland de gezworen vijand; aan de overzijde van het strijdtoneel nam de Sovjet-Unie die rol steeds nadrukkelijker over. Hoewel de FIFA naar eigen zeggen wars was van iedere vermenging van voetbal en politiek, draaide ook zij mee toen de politieke wind uit een andere hoek begon te waaien.

Zodoende stond de FIFA op 6 mei 1949 weer vriendschappelijke wedstrijden met Duitse clubs toe. Helemaal vrij was de doorgang nog niet: ook de militaire regering van de betreffende bezettingszone moest haar fiat geven. Daarnaast mochten Duitse voetballers de grens weer over. In dezelfde periode gingen voormalige Duitse krijgsgevangenen de Engelse profcompetitie spelen. Alois Eisenträger en Bert Trautmann waren na hun gevangenschap in Engeland gebleven en tekenden in 1949 bij respectievelijk Bristol City en Manchester City.

Ook de Duitse voetbalbond werd heropgericht. In Stuttgart bliezen West-Duitse regionale bonden de DFB in januari 1950 nieuw leven in. De afvaardiging van het door Frankrijk bezette Saarland nam hieraan niet deel. Sterker nog, het protectoraat beschikte over een eigen nationale voetbalbond. Op 22 juni 1950 werd die voorlopig tot de FIFA toegelaten.

De DFB moest iets langer wachten voordat hij terugkeerde in de moederschoot. Op het FIFA-congres vlak voor het WK van 1950 voerde de Zwitser Ernst Thommen aan dat het oude verbod was vervallen omdat er inmiddels weer een Duitse voetbalbond was. Hij kreeg hierbij steun van de Zuid-Amerikaanse bonden, die vonden dat politiek en voetbal te veel vermengd waren. Israël verzette zich tegen een Duitse terugkeer en wees officieel ook op de deling van het land tussen oost en west. Dat mocht niet baten. Vlak na het WK van 1950 werden Japan en West-Duitsland tijdens een vergadering van het Uitvoerend Comité in Brussel weer officieel in de gelederen opgenomen. De Oost-Duitse bond kwam er in 1952 bij.

De voorloper van de Israëlische voetbalbond was sinds 1929 bij de FIFA aangesloten. Die plaats behoorde aanvankelijk toe aan de Palestine Football Association uit het Britse mandaatgebied, Bij de vorming van de staat Israël in 1948 nam het nieuwbakken land die zetel over.

Ook in Japan werd het voetbal tussen de brokstukken van de wederopbouw uit het puin getrokken. Binnenlands ging een paar maanden na de kernbommen op Hiroshima en Nagasaki de bal weer officieel rollen. De bond werd weer nieuw leven in geblazen en onder diens gezag speelden in januari 1946 Kobe Daiichi en Meisei Shogyo de eerste wedstrijd na de overgave. In mei 1946 keerde het nationale bekertoernooi terug dat de weinig verhullende naam ‘het eerste nationale voetbalkampioenschap van de wederopbouw’ kreeg.

Op de burelen ging de wederopbouw trager. In april 1947 werd bijvoorbeeld pas het keizerlijke voorvoegsel van de bondsnaam gehaald en ging de organisatie verder als de Japanse Voetbalbond. Onder zijn nieuwe voorzitter Ryutaro Takahashi moest de bond vooral aantonen dat Japan opnieuw over een zelfstandige, onafhankelijke, landelijke voetbalorganisatie beschikte, iets wat in de jaren na de oorlog onduidelijk was. De bond bracht daarom de huishouding op orde en klopte opnieuw aan bij de wereldvoetbalbond. De deur bleef dicht tot de Zuid-Amerikaanse landen zich hard maakten voor de asmogendheden.

Terug in het stadion

Op 7 maart 1951 speelde Japan tijdens de Aziatische Spelen in New Delhi voor het eerst weer een interland. Bijna elf jaar nadat het vlaggenschip voor het laatst ten strijde was getrokken. Het werd een doelpuntloos gelijkspel tegen Iran.

West-Duitsland had een paar maanden eerder al zijn eerste naoorlogse interland gespeeld. De tegenstander was op 22 november 1950 Zwitserland, het land dat als eerste had ingezien dat de politieke afrekening lang genoeg had geduurd. Meer dan honderdduizend mensen kwamen naar Stuttgart. West-Duitsland won met 1-0. Het was de opmaat naar de eerste wereldtitel, een kleine vier jaar later.

Waardeer je dit verhaal?

Steun mijn journalistiek

Een vrijwillige bijdrage helpt bij nieuw archiefwerk, boeken en onderzoek naar vergeten voetbalverhalen.

€
Bedrag € -

Verder lezen

Boeken bij dit verhaal

Verantwoording

Online bronnen (9)