Het had zomaar een misdaad uit een van de Kameleonboeken kunnen zijn: de penningmeester van een Friese voetbalclub die er met geld uit de clubkas vandoor gaat en ondertussen ook zijn werkgever van de nodige centen berooft. Alleen waren het in 1963 niet Hielke en Sietse Klinkhamer of veldwachter Zwart die de zaak oplosten, maar een voormalig bestuurslid van vv Heerenveen.
Want zo heette het huidige SC Heerenveen in de jaren zestig. Een club in de marge van het betaalde voetbal; een vereniging met semi-profs die in 1962 degradeerde van de eerste naar de tweede divisie en daar tot begin jaren zeventig zou bivakkeren. Het was het interbellum tussen Abe en Foppe. De naam was overal in Nederland bekend, maar de prestaties waren van hetzelfde niveau als die van niet meer Fortuna Vlaardingen, ZFC en Tubantia. Clubs die al lang uit de rangen der profclubs zijn verdwenen.
Drie secretarissen in één jaar
Ook organisatorisch waren de jaren zestig allesbehalve pais en vree. Tijdens de jaarvergadering van 1963 merkte voorzitter Gerard Veldhuis op dat ‘iedereen wel kan begrijpen dat drieënhalf secretaris, 3 Penningmeesters en tweeënhalf voorzitter in één jaar te veel is’. ‘Dit is nooit in het belang van een vereniging.’
Veldhuis was toen net terug. Anderhalf jaar eerder had hij zijn voorzittershamer aan Jan Prummel overgedragen. Die haakte in de zomer van 1962 om gezondheidsredenen af. Dat vertrek kwam op een ongelukkig moment. Organisatorisch werd de club namelijk grondig verbouwd: er kwam een hoofdbestuur, met daaronder afzonderlijke besturen voor de profs en de amateurs. Een tijdelijke voorzitter moest voorkomen dat het bouwwerk tijdens de renovatie instortte, waarna Veldhuis de hamer weer oppakte.
In november 1962 leverde ook de penningmeester zijn kasboeken in vanwege familieomstandigheden. Kort daarna hield de secretaris het voor gezien, omdat hij zich niet langer kon vinden in het beleid. Hun opvolgers werden benoemd tot de volgende ledenvergadering in augustus, zodat er even wat rust was op de burelen. Maar nog voordat de zomervakantie begonnen was, moest men alweer op zoek naar een nieuwe penningmeester. Hij werd geschorst omdat hij werd verdacht van diefstal.

Die geschorste schatbewaarder was Evert Keddeman, op dat moment 32 jaar oud. Hij was een banketbakkerszoon uit een strenggelovig gezin in Baarn. Op elfjarige leeftijd zou hij al gewend zijn geraakt aan bedragen die voor een jongen van zijn leeftijd ongewoon groot waren. Terwijl leeftijdsgenoten in de oorlog amper centen voor hun spaarpot hadden, verdiende Keddeman geld met de handel in fruit uit de Betuwe. In zijn vrije uren haalde hij het fruit op en verkocht hij het aan groentehandelaren in Baarn. Zo luidde althans het levensverhaal dat zijn advocaat jaren later in de rechtszaal vertelde.
Rekeningen bleven liggen
Als zestienjarige trad Keddeman in 1948 in dienst bij Ruban, een rubber- en kunststoffenfabriek die toen nog in Baarn was gevestigd. Ondanks zijn beperkte scholing groeide hij uit tot boekhouder, terwijl hij ook ervaring opdeed als bestuurslid van voetbalvereniging Baarn. Toen het bedrijf waarvoor hij werkte zich in 1960 in Oudeschoot, onder de rook van Heerenveen, vestigde, verhuisde ook zijn werkterrein naar Friesland. Zijn kennis van cijfers, debiteuren en crediteuren leek precies wat het zwalkende Heerenveen nodig had om enige rust in de bestuurlijke chaos te brengen. In december 1962 werd hij officieel tot penningmeester gekozen.
Al snel kwam de voetbalclub van een koude kermis thuis. Vanaf februari 1963 keek Keddeman nauwelijks nog naar de administratie om. Rekeningen bleven liggen, schuldeisers begonnen zich te melden en het toch al noodlijdende Heerenveen zakte financieel dieper in de modder. Het bestuur hield hem aanvankelijk voor iemand die zijn taak niet aankon. Uiteindelijk kreeg hij zijn congé.
De kasboeken lagen bij Keddeman thuis. Hij beloofde zijn medebestuursleden de administratie over te dragen en verscheen op een donderdagochtend eind juni met ongeveer de helft van de paperassen. De rest zou hij vrijdagavond brengen. Die belofte bleek niet meer waard dan de papieren waarop zijn boekhouding stond.
Vrijdagochtend ging Keddeman naar de bank om voor zijn werkgever Ruban een cheque van ongeveer 2.500 gulden te verzilveren. Het geld was bestemd voor de lonen van het personeel, maar verdween in zijn eigen zak. Daarnaast nam hij ongeveer 1.300 gulden uit de bedrijfskas mee. Met zo’n 3.800 gulden van zijn werkgever en nog een flink bedrag van de rekening van Heerenveen reed hij via Nieuweschans de grens over.
3000 gulden verdwenen?
Het bleek slechts een klein gedeelte van de totale geldsom die hij bij Ruban had verduisterd. Jarenlang had hij kleinere bedragen weggesluisd. In de boeken gebruikte hij dubbele boekingen, verkeerde optelsommen en andere kunstgrepen van een eenvoud die je eerder zou verwachten in een spannend jongensboek of een dertien-in-een-dozijndetective. De totale schade voor het bedrijf werd op ongeveer 40.000 gulden geschat.
Vrijdagavond gingen ook bij Heerenveen de alarmbellen rinkelen. Keddeman kwam niet opdagen met de overige paperassen en de eerste vrees was dat ongeveer 3.000 gulden was verdwenen, mogelijk geld dat voor de contractspelers was bestemd. De penningmeester was gevlogen en men kon amper wijs uit de administratie die hij achterliet.
In de week daarna probeerde Heerenveen de schade op te maken. Voor een buitengewone ledenvergadering week de club uit naar de plaatselijke schouwburg, waar een grote groep ontdane Friezen uitleg kreeg over de stand van zaken. Daar werd vooral duidelijk dat aan de club veel meer schade had kunnen worden berokkend. De contributie- en toto-opbrengsten waren nog aanwezig. En voor de amateurtak stond ongeveer 100.000 gulden geblokkeerd. Keddeman had volgens het bestuur herhaaldelijk geprobeerd dat kapitaal vrij te krijgen, naar eigen zeggen omdat het voordeliger kon worden belegd. Ook wilde hij de inning van de contributie anders organiseren en probeerde hij de onderpenningmeester terzijde te schuiven.
Ondertussen hijgde ook de gemeente de voetbalclub in de nek. Een jaar eerder had Heerenveen na de degradatie een vijftienjarige, renteloze obligatielening van 50.000 gulden uitgeschreven, bedoeld om nieuwe spelers te kunnen aantrekken en snel weer de stap te maken naar de eerste divisie. De gemeente had voor de helft van dat bedrag ingetekend. Nu eiste zij haar 25.000 gulden tijdelijk terug. De burgemeester liet weten dat het geld opnieuw beschikbaar zou komen zodra bij de club alles weer op orde was. In een financieel onstabiele tijd was dat een mokerslag.
Vakantie naar Garmisch-Partenkirchen
Voor Keddeman werd ondertussen via Interpol een internationaal opsporingsbericht verspreid. Toch bleef hij een maand buiten beeld. Hij leefde in Duitsland van het meegenomen geld en had dat wellicht langer kunnen doen als zijn voorganger bij Heerenveen niet net een vakantie naar Beieren had geboekt.
Eind juli verbleef oud-penningmeester Gerding met zijn vrouw in Oberammergau. Tijdens hun verblijf bezocht het echtpaar een folkloristisch feest in het iets verderop gelegen Garmisch-Partenkirchen. Tussen de vakantiegangers zag Gerding plotseling een bekend gezicht. ‘Zie je wel, wie daar loopt?’, vroeg hij aan zijn vrouw. Zij keek en herkende hem eveneens: Keddeman, de man aan wie haar echtgenoot de clubkas enkele maanden eerder had overgedragen.
Mevrouw Gerding hield hem in het oog terwijl haar man de politie waarschuwde. Zo werd de gezochte penningmeester op 28 juli gearresteerd en in een Duitse cel opgesloten. Daarna duurde het bijna vier maanden voordat hij naar Nederland werd overgebracht. Eind november werd hij bij Vaals aan de marechaussee overgedragen.
In februari 1964 diende de rechtszaak tegen Keddeman. Zijn advocaat schetste het beeld van een man die zwaar onder zijn dubbelleven had geleden. Hij had zijn verloving verbroken, sliep slecht en droeg bij Ruban een verantwoordelijkheid die nauwelijks bij zijn beperkte scholing paste. Dat hij van de administratie van Heerenveen een janboel had gemaakt en vervolgens was gevlucht, was volgens zijn advocaat een bewuste keuze. Hij deed het om zijn geknoei bij Ruban aan het licht te laten komen. De spelletjes met de clubportemonnee waren een noodsignaal.

Daar kwam nog een merkwaardige verklaring bij. Keddeman zei dat hij het van Heerenveen meegenomen bedrag had willen terugbetalen, maar dat zijn arrestatie hem net voor was geweest. De president van de rechtbank wees hem er droogjes op dat hij daar al weken de tijd voor had gehad.
Op 19 februari 1964 kwam het vonnis: één jaar gevangenisstraf zonder aftrek van het voorarrest. De rechtbank bleef daarmee drie maanden onder de eis van het Openbaar Ministerie, maar weigerde ook maar één dag van zijn eerdere hechtenis op de straf in mindering te brengen.
Uiteindelijk bleek de financiële huishouding van Heerenveen een papierwinkel waarin nauwelijks nog een touw viel vast te knopen. Waar Heerenveen zelf dacht dat Keddeman 3.000 gulden had ontvreemd, bleek hij slechts ongeveer 1.000 à 1.100 gulden van de club te hebben meegenomen. Een aanzienlijk bedrag, maar slechts een fractie van de reserve van de amateurafdeling waarop hij vergeefs invloed had proberen te krijgen.
Aktie ’67
De club stelde echter snel orde op zaken. Begin augustus, nog voor de start van het seizoen 1963/1964, was de gemeente ervan overtuigd dat de club het weer op orde had en stelde zij haar aandeel van 25.000 gulden in de obligatielening opnieuw beschikbaar.
Daarmee waren de financiële problemen van Heerenveen niet voorbij. In 1967 stond het water de club opnieuw aan de lippen. Supporters kwamen daarom eind 1966 in beweging en legden de basis voor stichting Aktie ’67. Het doel was om bij de bevolking 100.000 gulden op te halen. Dat bedrag werd niet gehaald, maar de actie bracht voldoende op om Heerenveen weer wat lucht te geven zodat de club betaald voetbal kon blijven spelen. De club kroop uit het moeras waarin schulden, wisselende bestuurders en een stelende penningmeester haar hadden achtergelaten, drie jaar voordat zij als kampioen afscheid nam van de tweede divisie.