Bijna een eeuw nadat het FIFA-congres in Amsterdam besloot een eigen wereldkampioenschap te organiseren, wil de KNVB in diezelfde stad praten over de toekomst van de wereldvoetbalbond. De overeenkomst gaat verder dan de locatie. Ook in 1928 verkeerde FIFA in een crisis. Drie maanden voor het historische congres waren de vier Britse bonden opgestapt na een ruzie over amateurisme, gemist loon en de macht in het internationale voetbal.
Centraal in de crisis van de jaren twintig stond geen corrupte voorzitter of koffer vol bankbiljetten, maar het prototype van de Engelse amateurvoetballer. Denk aan een fabrieksarbeider die nét tekortkwam voor het profvoetbal, maar op de niveaus daaronder wekelijks op applaus kon rekenen. Overdag stond hij aan een ratelende machine, ’s avonds trapte hij tegen een bal. Zijn club betaalde hem niets; het brood moest buiten het voetbal worden verdiend.
Daartegenover stond de Britse profvoetballer. Iedere week ontving hij loon van zijn club; voetbal was niet langer zijn liefhebberij, maar zijn beroep. Dat voorrecht had één nadeel: aan de Olympische Spelen mocht hij niet deelnemen. Dat evenement was het exclusieve terrein van de amateur.
Voor de fabrieksarbeider lonkte daardoor een prachtig uitstapje met de nationale ploeg. Een paar weken Antwerpen of Parijs in plaats van de vertrouwde machinehal. Alleen zag zijn werkgever geen reden om tijdens die afwezigheid het loon door te betalen. Zo kreeg de amateur een weinig feestelijke keuze voorgelegd: uitkomen voor zijn land en wat van de wereld zien of thuisblijven om de huur te kunnen voldoen.
Shamateurs
Op het Europese vasteland was die scheiding veel minder scherp. In veel landen bestond nog geen officiële profcompetitie, terwijl de beste spelers wel steeds meer tijd aan voetbal besteedden. Zij kregen soms een baan via de club, een onkostenvergoeding of geld voor werkdagen die zij door een wedstrijd misten. Op papier bleven ze amateur, in de praktijk hoefden ze niet altijd voor niets achter een bal aan te rennen. De Britten hadden daar een weinig vleiende naam voor: shamateurs, schijnamateurs.

Niet heel Europa stond overigens tegenover Engeland. De Scandinavische bonden hielden zich eveneens vast aan streng amateurisme. Sportofficials uit landen als België, Zwitserland en Italië vonden het onredelijk dat een arbeider geld moest verliezen wanneer hij voor zijn land speelde. Zij wilden hem zijn gemiste salaris kunnen teruggeven, zonder hem meteen tot profvoetballer te verklaren. Die vergoeding kreeg de naam broken-time payment: betaling voor verloren werktijd. Gewoon het bedrag dat anders op het loonstrookje had gestaan.
Het lijkt een detail waar in die tijd hooguit een penningmeester warm voor loopt, of tegenwoordig iemand met een voorliefde voor obscure sportgeschiedenis. Toch groeide het gemiste weekloon van een voetballer uit tot een internationale machtsstrijd.
Een amateur met voldoende geld
Achter de discussie zat een botsing tussen twee ideeën over amateurisme. De Britse opvatting stamde uit de wereld van kostscholen, universiteiten en herenclubs. Sport hoorde een nobele liefhebberij te zijn. Een echte amateur speelde uit liefde voor het spel en niet voor zijn portemonnee, bij voorkeur nadat hij zijn studie, kantoorwerk of lunch met meerdere gangen had afgerond.
Dat ideaal werkte uitstekend zolang de deelnemers uit welgestelde kringen kwamen. Wie over eigen geld beschikte, kon zonder problemen enkele weken naar de Olympische Spelen. Voor een stratenmaker of havenwerker was onbetaald verlof aanzienlijk minder romantisch. België stond daarom in 1921 als eerste land compensatie voor verloren loon toe; andere bonden volgden.
Voetbal als olympische pinautomaat
De FIFA dacht pragmatischer over amateurisme dan de Britten. De internationale sportbond organiseerde het olympische voetbaltoernooi en wilde zoveel mogelijk landen en goede spelers in actie zien. Dat was niet alleen idealisme. Voetbal was uitgegroeid tot de pinautomaat van de olympische beweging.
Volgens de Britse bonden mocht een speler alleen zijn noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed krijgen. Wie daarnaast geld ontving, bijvoorbeeld als compensatie voor gemist loon, was gewoon een professional. FIFA liet de aangesloten landen veel meer ruimte om zelf te bepalen wie als amateur gold. Daardoor konden in Parijs voetballers verschijnen die volgens de Britse maatstaven onmogelijk amateurs konden worden genoemd.
Toen FIFA weigerde de strenge Britse definitie over te nemen, trok de Engelse FA de olympische voetbalploeg vlak voor de Spelen van 1924 in Parijs terug. Het toernooi leed daar nauwelijks onder. Uruguay won met oogstrelend spel de gouden medaille en voetbal bracht meer entreegeld op dan atletiek. De recettes waren zelfs hoger dan die van zwemmen, rugby, tennis, wielrennen, worstelen, turnen en schermen bij elkaar.
Metselaar als vermomd professional
Een jaar later kregen de Britten op het olympische congres van Praag alsnog hun zin: compensatie voor misgelopen salaris werd verboden. Zo bleef een notabele die door zijn werkgever werd doorbetaald een keurige amateur, terwijl een metselaar met een vergoeding van zijn bond plotseling veranderde in een vermomde professional.
Vier jaar na Parijs lonkte in Amsterdam een nieuw olympisch voetbaltoernooi met de Zuid-Amerikaanse grootmachten Uruguay en Argentinië. Het zorgde voor een tweespalt bij het IOC. Men hield op de burelen van de zuivere amateur, maar ook van een uitverkocht stadion. Zeker voor de Zuid-Amerikanen, die een lange boottocht moesten maken, zou enige salariscompensatie fijn zijn.

Op 3 mei 1926 stemde het FIFA-congres in Rome daadwerkelijk over de kwestie. Met twaalf tegen acht stemmen werd een voorstel aangenomen dat nationale bonden toestond om amateurs in bijzondere gevallen te compenseren voor verloren loon. De vergoeding mocht nooit het volledige salaris bedragen en was bedoeld voor spelers van wie de werkgever tijdens interlands of toernooien het loon niet doorbetaalde. FIFA beschouwde hen ondanks die betaling nog altijd als amateurs.
Daarmee was de zaak alleen niet opgelost. FIFA kon regels opstellen voor het internationale voetbal, maar het IOC bepaalde wie aan de Olympische Spelen mocht deelnemen. Volgens de olympische regels van 1925 maakte iedere vergoeding voor gemist loon een sporter tot professional. Op het FIFA-congres van Helsinki in 1927 werd daarom een ultimatum gesteld: als het IOC de regeling uit Rome niet erkende, zou FIFA zijn medewerking aan het olympische voetbaltoernooi intrekken.
Dat dreigement kwam aan. Op 8 augustus 1927 stemde het IOC-bestuur voor een compromis. De werkgever mocht het loon van de voetballer tijdens zijn afwezigheid doorbetalen en vervolgens door de nationale voetbalbond worden gecompenseerd. De speler kreeg het geld dus niet rechtstreeks in handen. Op papier bleef hij een zuivere amateur; in de praktijk kon hij na thuiskomst nog altijd zijn huur betalen. Voor de Britten was het vooral professioneel voetbal met een boekhoudkundige omweg.
De Britten stappen op
In Groot-Brittannië gingen de alarmbellen af. Lord Rochdale, voorzitter van de British Olympic Association, schreef verontwaardigd aan IOC-president Henri de Baillet-Latour. Volgens alle Engelse opvattingen waren zulke spelers gewoon professionals, welke keurige naam FIFA er ook aan gaf.
Onder de discussie over een paar weeklonen smeulde een ouder conflict. Engeland had de spelregels geschreven en zag zichzelf als natuurlijke gezagsdrager. Engeland, Schotland, Wales en de Ierse bond uit Belfast waren afzonderlijk lid van FIFA en hadden ieder een stem. Met ieder nieuw lid, dat evenveel stemrecht had, werd het echter eenvoudiger de vier gezamenlijk te overstemmen.
De FIFA moest volgens de Britten niet voorschrijven hoe zij hun voetbal organiseerden. Andere landen waren juist moe van uitvinders die zich als eeuwige eigenaren gedroegen. Het kwam op 17 februari 1928 tot een climax. Toen besloten de vier Britse bonden in Sheffield unaniem de FIFA te verlaten.
Een wereldkampioenschap zonder Engeland
Zodoende ontbraken de Britten ook tijdens de Spelen van Amsterdam. Op dat toernooi bereikten Uruguay en Argentinië de olympische finale, waarin titelverdediger Uruguay zegevierde. De Zuid-Amerikaanse landen lieten opnieuw zien dat voetbal een wereldwijd verbreid spel was geworden. Dat mondiale karakter kreeg al vóór de aftrap van het olympische voetbaltoernooi een belangrijk vervolg.
Op 26 mei 1928 stemde het FIFA-congres in Amsterdam in met de organisatie van een eigen wereldkampioenschap. Een eindtoernooi zonder de belemmerende olympische regels, waaraan zowel profvoetballers als amateurs konden deelnemen. Twee jaar later werd in Uruguay het eerste WK gespeeld.
De vier Britse bonden bleven thuis. Ook tijdens de WK’s van 1934 en 1938 waren ze afwezig. Pas in 1946 keerden zij terug bij de FIFA. Vier jaar later verscheen Engeland voor het eerst op een WK. Overtuigd van hun eigen superioriteit dachten de Engelsen het toernooi te kunnen winnen. De founding fathers verloren in de groepsfase echter met 1-0 van een Amerikaanse ploeg vol semiprofs en amateurs en waren uitgeschakeld.