Brieven aan mijn voetbalhatende vader

#9 Clapton

Lieve papa,

Ik moet nog even bedenken hoe en vooral óf ik de derde groepswedstrijd van Nederland ga bekijken. Officieel is Oranje nog niet geplaatst voor de volgende ronde, maar officieus hebben alle voetbalwiskundigen inmiddels berekend dat de kans daarop 99,9 procent bedraagt. Die resterende 0,1 procent is vooral bedoeld om analisten, rekenmodellen en televisiestudio’s nog een avond lang aan het werk te houden.

Als ik kijk, is het vooral omdat het zo hoort. Een eindtoernooi bestaat nu eenmaal ook uit wedstrijden die nauwelijks nog ergens over gaan, maar die je toch meepakt. Zoals de troostfinale van het WK in 1998 of de derde groepswedstrijd tegen Roemenië tijdens het EK van 2008. Wedstrijden die achteraf niet veel meer zijn dan een voetnoot, maar die op het moment zelf als verplichte kost voelen. Je slaat met Kerstmis tenslotte ook niet ineens het dessert over omdat iedereen eigenlijk al vol zit.

Donderdag stuit mijn voetbalplicht alleen op twee praktische bezwaren. Het eerste is het aanvangstijdstip. De wedstrijd begint om één uur ’s nachts. Normaal gesproken lukt het mij best om tot drie uur geconcentreerd naar een beeldscherm te staren, zelfs als de spanning grotendeels door de media wordt aangepraat. Riedeltjes over dat een tweede plaats misschien gunstiger is, dat je altijd met je sterkste elf moet beginnen vanwege de continuïteit en al die andere toernooipraat waarmee televisiestudio’s zich wekenlang overeind houden.

Alleen heb ik dit jaar een kaartje voor Concert at Sea.

Dat zal bij jou vermoedelijk voor minstens één opgetrokken wenkbrauw hebben gezorgd.

Niet eens vanwege het voetbal dat ik daarvoor mogelijk laat schieten. Ook jij had gemerkt dat ik, naarmate ik verder op de leeftijdsladder klim, steeds gemakkelijker wedstrijden oversla. Het leven waarin ik desnoods Oezbekistan – Congo keek omdat er nu eenmaal twee landenteams op een veld stonden, ligt langzaam achter mij.

Nee, vooral het programma van Concert at Sea past niet erg bij mij. DI-RECT, Krezip, Bente en nog een verzameling artiesten die bij de gemiddelde Nederlandse festivalbezoeker vermoedelijk een stuk meer enthousiasme losmaakt dan bij mij. Als je door mijn platenkast bladert, kom je amper iets tegen dat na 2000 is verschenen. En wanneer een plaat toch in de afgelopen vijfentwintig jaar voor het eerst van de drukpers rolde, is de kans groot dat hij afkomstig is van een bluesartiest die na een loopbaan van drie decennia nog altijd iets nieuws probeert te maken. Muziek die werkelijk het aanhoren waard is, in plaats van een zoveelste rondgang langs een uitgewoonde verzameling klassiekers.

Nee, ik ga vooral omdat een vriend naar Zeeland is verhuisd. Met z’n vieren laten we ons daar een paar dagen opnemen in de Zeeuwse gastvrijheid, met vooral elkaars gezelschap als hoofdprogramma.

Enfin. Waar wij elkaar op voetbalgebied zelden konden vinden, lukte dat met muziek een stuk beter.

Dat begon al toen ik als driejarige peuter aan het dekbed stond te trekken, ruim voordat jij van plan was op te staan. Tegen een blond ventje dat aandacht eiste van zijn ouders bleek één probaat middel te bestaan: een videoband van The Rolling Stones tijdens de Urban Jungle Tour. Een uur zat ik rustig op een kleed te kijken naar rondrennende, zingende en gitaarspelende mannen, die nummers ten gehore brachten die ik niet begreep

Die vroege muzikale inprenting leek zijn werk te doen. Althans, totdat ik voor het eerst van mijn zakgeld een single mocht kopen. Ik vermoed dat je niet onmiddellijk in je nopjes was toen plotseling. ‘Eh-oh, Captain Jack’ door de woonkamer schalde. Dat was niet helemaal de oogst waarop je na jarenlang opvoedkundig zaaien had gehoopt.

Laten we het een jeugdzonde noemen.

De TMF-pop maakte gelukkig al snel plaats voor muziek waarin daadwerkelijk gitaren voorkwamen. Daarmee kwamen onze smaken dichter bij elkaar, al bleven we ieder aan een andere kant van dezelfde platenkast staan. Jij zwoer bij Little Feat, Cuby and the Blizzards, Jethro Tull en ander geluid uit de jaren zestig en zeventig. Ik zocht het een paar decennia later, bij The Offspring, Nirvana, Guns N’ Roses en de Red Hot Chili Peppers.

We zouden zelfs samen naar Guns N’ Roses gaan. Het was nog net de tijd vóór mobiel internet, sociale media en al die andere hulpmiddelen die tegenwoordig voorkomen dat iemand voor niets een halve provincie doorkruist. Wij hadden daardoor alle berichten gemist dat het concert was afgelast.

Daar stonden we dan, voor een dichte poort. Klaar voor Axl Rose en zijn mannen, maar ontvangen door niets meer dan hekwerk en een suppoost die stumpers zoals ons moest opvangen.

Een kleine tien jaar later lukte het gelukkig wel. In dezelfde Gelderse poptempel zagen we Eric Clapton spelen. Achteraf bezien was dat misschien de artiest die meer bij ons beide paste.

Dat was in 2011, ongeveer in de periode waarin jij Spotify en YouTube ontdekte. Mama moet er af en toe horendol van zijn geworden. Tot die tijd was je muzikale wereld grotendeels begrensd geweest door de platen en cd’s in huis en de artiesten die ieder jaar opnieuw de bovenste regionen van de Top 2000 bevolkten. Ineens verdween het hek rondom dat terrein.

De wereld werd in één klap onmetelijk groot.

Je ging op zoek naar nieuwe artiesten, waarbij nieuw niet noodzakelijk betekende dat ze jong waren. Vaak betrof het mannen die eruitzagen alsof ze al dertig jaar in hetzelfde Amerikaanse café optraden. Korrelige video’s, opgenomen met een camera die vermoedelijk ook voor familiefeestjes werd gebruikt en hooguit een paar duizend weergaven: dat was voor jou het nieuwe summum.

Terwijl ik in een studentendiscotheek stond te dansen op Anita Meyer, ontving ik een mailtje of bericht met weer een ontdekking. Soms was de toon licht dwingend. Je had iets gevonden en vond dat ik daar onmiddellijk kennis van moest nemen. De mogelijkheid dat ik midden in de nacht misschien met iets anders bezig was, woog niet op tegen het belang van een gitaarsolo die jij zojuist had ontdekt.

Je vond het wel iets voor mij.

Daar zaten parels tussen, zoals de Tedeschi Trucks Band. Er kwamen ook genoeg nummers voorbij waar ik weinig mee kon. Dat heb ik nooit volledig eerlijk tegen je durven zeggen. Ik wilde je enthousiasme niet temperen.

Waar we allebei weinig mee hadden, was het Nederlandstalige kroeggenre. De holadijee-holadijoo-liederen over mooie zomernachten, volle glazen en vrouwen die na sluitingstijd ineens de liefde van iemands leven bleken te zijn. Muziek die klinkt alsof tekst en melodie samen op een bierviltje zijn geschreven, tijdens het laatste rondje van een avond die eigenlijk al twee uur te lang duurde.

Daarom klonk tijdens de eindtoernooien bij ons thuis zelden de gebruikelijke Oranjeherrie. Geen verzameling hossende artiesten die hun oude carnavalssingle snel van een nieuwe voetbaltekst hadden voorzien. We luisterden gewoon naar muziek. Jij naar de jouwe, ik naar de mijne en geregeld naar iets dat ergens in het midden lag. Al kwam dat naarmate de jaren vorderde steeds dichter bij elkaar.

Liefs,

Matthijs

Waardeer je dit verhaal?

Steun mijn journalistiek

Een vrijwillige bijdrage helpt bij nieuw archiefwerk, boeken en onderzoek naar vergeten voetbalverhalen.

Bedrag € -

Lees ook

#7 As Oorlogen, geldgebrek een storm op zee en de Ramadan, de problematische WK-kwalificaties van Egypte #3 Niemendalletjes