Afgelopen wereldkampioenschap was Argentinië de vijand van bijna de gehele voetbalwereld. De ene complottheorie was nog nauwelijks opgediend of de volgende lag alweer op tafel, doorgaans met een bewijsvoering die ergens tussen Pizzagate en ‘9/11 was an inside job’ zweefde. Terwijl de Argentijnse sterren zich rond de barbecue verzamelden en het vlees rustig boven de kolen hapklaar maakten, lieten zelfs serieuze journalisten zich verleiden tot beweringen die nooit langs de meetlat van de feiten waren gelegd.
De ploeg van Lionel Messi zou door de FIFA uit de wind worden gehouden, omdat een lang verblijf van de wereldster commercieel nu eenmaal aantrekkelijk was. Iedere omstreden beslissing gold als een nieuw puzzelstukje; een handgebaar of gelaatsuitdrukking van FIFA-president Gianni Infantino na een Argentijns doelpunt was aanvullend bewijs. Meer was niet nodig om miljoenen mensen ervan te overtuigen dat het hele toernooi naar de gewenste uitkomst werd gemasseerd.
Zestig jaar eerder diende Argentinië zelf de soep met complottheorie op en at de natie de buik vol met verhalen over onbewezen samenspanningen. Men was ervan overtuigd dat de wereldvoetbalbond de ploeg zo snel mogelijk uit het eindtoernooi in Engeland wilde werken. De Argentijnen stonden daarin niet alleen. Ook in buurlanden Brazilië en Uruguay groeide het gevoel dat de FIFA en de organisatoren samenspanden om de wereldtitel in Europa te houden. Net als tijdens het Trump-WK ontbrak de sluitsteen, maar lagen er voldoende losse brokstukken om een overtuigend verhaal van te metselen.
Een Engelsman op de hoogste stoel
Ook in 1966 was de voorzitter van de FIFA niet onomstreden. De Engelsman Stanley Rous had in de voorafgaande decennia een heuse diplomatieke mars door verschillende voetbalbonden en organisaties afgelegd. Hij was jarenlang scheidsrechter geweest, had 36 interlands geleid en speelde een belangrijke rol bij het herschrijven van de internationale spelregels. Van 1934 tot 1962 was hij bovendien secretaris van de Engelse voetbalbond, waardoor binnen het Engelse voetbal vrijwel geen deur voor hem gesloten bleef. In 1961, vijf jaar voordat zijn land het wereldkampioenschap organiseerde, werd hij gekozen tot president van de FIFA.
Op papier waren zijn oude en nieuwe functies keurig van elkaar gescheiden. Sinds 1961 vertegenwoordigde Rous niet langer de Engelse voetbalbond, maar stelde hij zich in dienst van het mondiale voetbal. De organisatie van het WK lag bovendien bij een afzonderlijk comité en de Engelse nationale ploeg had vanzelfsprekend niets te zeggen over de beslissingen van de FIFA. Althans, zo was het bestuurlijk vastgelegd. Voor de buitenwacht liep door al die organisaties niettemin één en dezelfde draad, met het ene uiteinde in Zürich en het andere in Londen.

Al sinds het interbellum was er al een fikse aversie ontstaan tegen de Britten en vooral tegen hun kijk op het spel. Als founding fathers hadden zij zich een haast onaantastbare positie binnen het voetbal toegeëigend. Ze hadden het spel regels gegeven en gedroegen zich soms alsof ze daarmee ook het eeuwige gezag erover hadden verworven. Tel daarbij de lange loopbaan van Rous binnen de Engelse voetbalinstituten op en het beeld was compleet. Critici vonden dan ook dat hij niet boven de machten in voetballand stond, maar de belichaming was van een gesloten establishment waar je wel op de deur kon kloppen, maar die bijna nooit werd opengedaan.
Het wantrouwen richting Europa in het algemeen en de Engelsen in het bijzonder vanuit vooral Zuid-Amerikaans oogpunt, was niet tijdens het WK van 1966 ontstaan. Vier jaar eerder, in Chili, waren verschillende ontmoetingen tussen landen van beide continenten volledig uit de hand gelopen. Het dieptepunt was de Battle of Santiago tussen Chili en Italië, een wedstrijd waarin meer werd geschopt en geslagen dan gevoetbald. In de vier jaar richting het volgende WK werd het verschil tussen beide voetbalwerelden steeds verder uitvergroot. Het was een culturele kwestie geworden.
In Europa kwamen conditie, organisatie en het collectief steeds nadrukkelijker voorop te staan. In Zuid-Amerika bleef meer ruimte voor de individuele voetballer, die een wedstrijd met een dribbel of onverwachte ingeving kon openbreken. De Brazilianen waren daarin het toonbeeld van oogstrelend voetbal, terwijl in Italië bijvoorbeeld net het catenaccio opkwam. Ook scheidsrechters keken anders naar het spel. Wat een Europese arbiter als een stevig maar eerlijk duel beoordeelde, voelde voor Zuid-Amerikanen soms als toestemming om hun beste spelers uit de wedstrijd te schoppen.
Andersom ergerden Europeanen zich aan kleine overtredingen, tijdrekken en eindeloze protesten die het Zuid-Amerikaanse voetbal zo typeren. Vooral Argentijnen en Uruguayanen kregen het verwijt dat zij alles deden om een wedstrijd naar hun hand te zetten. Zo verwerd voetbal ook een morele tegenstelling. Met al die vooroordelen in de bagage was tijdens het WK van 1966 weinig nodig om in een verkeerd fluitsignaal een bewuste daad te zien.
Tijdens het WK in 1966 deden er vier Zuid-Amerikaanse landen mee. Chili zat in een poule met de Sovjet-Unie, Italië en Noord-Korea. Het werd een deceptie en na twee nederlagen en een gelijkspel kon het vliegtuig weer terug naar de Andes.
De knieën van Pelé
Brazilië op zijn beurt arriveerde in Engeland als tweevoudig wereldkampioen. Vier jaar eerder had de ploeg het toernooi in Chili bijna achteloos naar haar hand gezet. Niet Pelé was toen tot de ster uitgegroeid; Garrincha had de hoofdrol overgenomen van de geblesseerde wereldster. Vier jaar later moest Pelé opnieuw het gezicht van de ploeg worden. Hoewel het al zijn derde WK was en hij de bekendste voetballer op de aardkloot was, moest hij nog 26 worden. Het recept leek dan ook simpel: wie Brazilië wilde stoppen, moest voorkomen dat Pelé zijn magische benen kon gebruiken.
In de openingswedstrijd tegen Bulgarije werd de aanvaller van Santos voortdurend geschopt, geduwd en neergehaald. De Oost-Europeanen zagen weinig reden om hem rustig aan de bal te laten komen en de West-Duitse scheidsrechter Kurt Tschenscher greep amper in. Pelé maakte nog wel een doelpunt in de met 2-0 gewonnen wedstrijd, maar verliet het veld met zoveel pijn dat hij enkele dagen later tegen Hongarije niet kon spelen. Vanaf de kant zag hij hoe Brazilië met 3-1 verloor en twee doelpunten afgekeurd zag worden. Voor het eerst sinds 1954 verloor het land weer een wedstrijd op een wereldkampioenschap.
In de laatste groepswedstrijd tegen Portugal keerde Pelé terug. Al was dat meer als morele opsteker dan omdat hij wedstrijdfit was. Vervolgens werd hij ook nog eens vroeg in de wedstrijd van achteren geraakt door João Morais. Toen Pelé probeerde verder te spelen, haalde de Portugees hem niet veel later opnieuw neer. Ditmaal bleef de Braziliaan op het gras liggen. In het restant van de wedstrijd was hij veroordeeld tot een bijrol omdat wissels tijdens het WK nog niet waren toegestaan. Morais werd niet van het veld gestuurd en Pelé moest slechts strompelend toezien hoe Brazilië met 3-1 verloor en uit het toernooi verdween.
Het Braziliaanse vertrouwen in de organisatie had door de drie onderonsjes met Europese ploegen een flinke knauw gekregen. De tweevoudig wereldkampioen had drie wedstrijden gespeeld waarin zeven van de negen scheidsrechters en grensrechters uit Groot-Brittannië kwamen. Bij de verloren ontmoetingen met Hongarije en Portugal was een Engelsman de eindverantwoordelijke. De slotsom bij de Brazilianen was dat ze er als titelverdediger al uitlagen voordat ze Engeland in de knock-outfase konden tegenkomen. Al dan niet bewust.
Telegrammen uit Rio de Janeiro
Dat merkte men ook bij de Britse ambassade in Rio de Janeiro. Er werden vanuit het gezantschap verontrustende berichten naar Londen gestuurd. Braziliaanse kranten schreven over de anti-Braziliaanse houding van Engelse scheidsrechters en grensrechters. De ongelijke verdeling van de arbiters werd daarbij gezien als onderdeel van iets groters. Brazilië was volgens die lezing niet op het veld verslagen, maar door de Engelsen vanachter de vergadertafels uit de weg geruimd.
João Havelange liet de verdenking ondertussen uitdijen tot een groot complot. In augustus wees de voorzitter van de Braziliaanse voetbalbond in zijn officiële evaluatie al naar de arbitrage. Enkele weken later zette de latere FIFA-voorzitter in het Braziliaanse dagblad Diário de Notícias de volgende stap. De Engelsen hadden volgens hem niet alleen de scheidsrechters in hun greep gekregen, maar daarna ook de publieke opinie bewerkt. Op televisie en in de bioscopen zouden zorgvuldig gekozen beelden zijn vertoond om de Zuid-Amerikanen af te schilderen als de schoppers van het toernooi.

Daar bleef het niet bij. Havelange zag zelfs achter de uitslagen van de halve finales en de finale de hand van de Britse regering. Die zou er belang bij hebben gehad dat belangrijke handelspartners tot de laatste dagen van het WK doordrongen. Voetbal, politiek en economie schoven in zijn betoog steeds dichter tegen elkaar aan.
Op de Britse ambassade werd het artikel met stijgende verbazing gelezen. Een medewerker liet het vertalen en stuurde het halverwege september naar Londen. Hij omschreef Havelanges woorden als geraaskal en vermoedde dat de bondsvoorzitter, wiens positie na de Braziliaanse afgang tijdens het WK wankelde, vooral een zondebok zocht. Dat een belangrijke publieke figuur zich zo gedroeg, was volgens de diplomaat misschien onwaardig, maar uiteindelijk typisch voor Latijns-Amerika. Het was precies zo’n vooroordeel dat het conflict hardnekkig maakte.
Twee kwartfinales en één uitkomst
Op zaterdag 23 juli werd nog eens stevig geroerd in de ketel vol complottheorieën. De vier kwartfinales begonnen die middag tegelijkertijd. In Londen speelde Engeland tegen Argentinië, terwijl West-Duitsland het in Sheffield opnam tegen Uruguay. Op het eerste gezicht waren het twee volledig losstaande ontmoetingen, honderden kilometers van elkaar verwijderd. De keuze van de scheidsrechters verbond ze echter.
Voor Engeland–Argentinië werd de West-Duitser Rudolf Kreitlein aangesteld. West-Duitsland–Uruguay kwam onder leiding te staan van de Engelsman Jim Finney. Daarmee leidde een Duitser de wedstrijd van Engeland tegen een Zuid-Amerikaans land, terwijl een Engelsman op hetzelfde moment de wedstrijd van West-Duitsland tegen een andere Zuid-Amerikaanse tegenstander floot. Ten zuiden van de evenaar stond de afloop al vast voordat er ook maar was afgetrapt.
In de 35ste minuut van Engeland–Argentinië liep Antonio Rattín naar Kreitlein toe. De Argentijnse aanvoerder van 1,91 meter wilde protesteren en vroeg om een tolk, maar de kleine Duitse scheidsrechter besloot hem wegens beledigingen van het veld te sturen. Kreitlein sprak geen Spaans en Rattín geen Duits, zodat nooit helemaal duidelijk werd voor beide mannen wat de ander bedoelde. De Argentijn weigerde daarom ook minutenlang te vertrekken en probeerde vergeefs een begrijpelijke verklaring te krijgen. Uiteindelijk moest hij onder begeleiding van officials en politie het veld verlaten.
‘Latijnse waanzin’ op Wembley
De Engelsen zagen in Rattín een intimiderende aanvoerder die het gezag van de scheidsrechter weigerde te aanvaarden. De Argentijnen wentelde zich vervolgens in een slachtofferrol en vonden dat niet eens kon worden uitgelegd waarom hun aanvoerder moest vertrekken. De commotie op het WK-organiserende eiland werd nog groter toen Rattín bij zijn vertrek met zijn hand, langs een hoekvlag in de Britse kleuren, streek. Ook ging hij korte tijd op de rode loper voor koninklijke gasten zitten. Zo veranderde een onduidelijke uitsluiting ter plekke in een symbolische opstand tegen het Engelse gezag.
Argentinië hield met tien spelers lang stand. Pas in de 78ste minuut kopte Geoff Hurst het enige doelpunt van de wedstrijd binnen. Na het laatste fluitsignaal wilde de verdediger George Cohen zijn shirt ruilen met de Argentijnse aanvaller Oscar Más, maar de Engelse bondscoach Alf Ramsey kwam het veld op om dat te verhinderen. Later sprak hij over tegenstanders die zich volgens hem als ‘animals’ hadden gedragen. Een opmerking die in Zuid-Amerika werd opgevat als een belediging voor de hele natie.
‘Argentijnen hadden zich als dieren gedragen’
Voor de Engelse kranten was Rattín de gebeten hond. De Daily Mirror plakte op zijn opstandigheid het containerbegrip ‘Latijnse waanzin’, terwijl de News of the World de woorden van Ramsey met chocoladeletters op de voorpagina zette: de Argentijnen hadden zich als dieren gedragen. Ramsey doelde op de ploeg als geheel, maar Rattín kreeg onvermijdelijk de hoofdrol in het bijbehorende schouwspel. Hij was de grote, dreigende aanvoerder die weigerde het gezag van de scheidsrechter te erkennen.

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan zag men een volstrekt andere voorstelling. Daar was Rattín het slachtoffer van een beslissing die puur kwam door de taalbarrière. Zijn tussenstop op de rode loper werd er niet gezien als een potsierlijke oprisping, maar als het gebaar van een aanvoerder die zich niet zonder slag of stoot door Europese machthebbers liet vernederen. Vervolgens sloeg de Argentijnse woede over op alles wat Brits was. Toen de Engelse dirigent John Pritchard diezelfde avond in het Teatro Colón in Buenos Aires verscheen voor een opvoering van Aida, werd hij door een deel van het publiek uitgejouwd.
Ook Uruguay verdwijnt
Op vrijwel hetzelfde moment voelde Uruguay zich in Sheffield bestolen. De ploeg kwam tegen West-Duitsland vroeg op achterstand, maar had de stand gelijk kunnen trekken als een zo goed als zekere strafschop gegeven was. De Engelse scheidsrechter Finney liet in plaats daarvan doorspelen. In de tweede helft stuurde hij vervolgens eerst Horacio Troche en vervolgens Héctor Silva van het veld. Met negen man stortte Uruguay in en liep West-Duitsland uit naar 4-0.
Twee Uruguayaanse spelers schreven na afloop iets in het handtekeningenboek van twee Engelse kinderen. De kinderen dachten een vriendelijke boodschap mee naar huis te nemen, maar kregen na vertaling te lezen dat de scheidsrechter een dief was en Duitse misdadigers de wedstrijd van Uruguay hadden gestolen.
Wembley als vaste verblijfplaats
Ook de organisatie leverde voldoende brandstof voor de achterdocht. Engeland speelde al zijn wedstrijden op Wembley en hoefde gedurende het toernooi niet door het land te reizen. De spelers kenden het stadion, sliepen steeds op dezelfde plaats en konden hun voorbereiding volledig rond één locatie organiseren. Tegenstanders moesten wel verkassen en kregen soms minder rust.
Voor de halve finale tegen Portugal ontstond opnieuw ophef. De Portugezen hadden hun groepswedstrijden en kwartfinale in het noordwesten van Engeland gespeeld en rekenden erop ook de halve finale op Goodison Park in Liverpool af te werken, zoals in het vooraf opgestelde wedstrijdprogramma ook was afgesproken. De wedstrijd werd echter naar Wembley verplaatst. Portugal moest halsoverkop naar Londen, terwijl Engeland opnieuw in zijn vertrouwde stadion kon blijven. Eusébio en de Portugese leiding protesteerden, maar zonder resultaat. Engeland won met 2-1 en bereikte voor het eerst de finale van een wereldkampioenschap.
Deze manoeuvre riep zelfs in andere Europese landen vragen op. De Telegraaf schreef bijvoorbeeld ‘dat voor het toernooi hier en daar is gezegd, dat dit wereldkampioenschap voor Engeland was gemaakt’ om vervolgens zelf stellig te vervolgen ‘dat de gastheren tot elke prijs zouden moeten zegevieren’. De FIFA heeft opnieuw een handje geholpen om deze gedachte te versterken door de halve finale Engeland—Portugal niet in Liverpool, maar in Londen te laten spelen. Ook schreef het dagblad dat ‘buitenlandse waarnemers met gefronste wenkbrauwen naar de beslissing keken’.
De verkeerde man voor de vrede
Ondertussen volgde de Britse regering de groeiende woede 7000 kilometer verderop met steeds meer zorg. Vanuit ambassades in Latijns-Amerika kwamen berichten over een snelle omslag in de publieke opinie. De Britse vertegenwoordiger in Montevideo schreef dat zijn land bij het begin van de openingswedstrijd tussen Engeland en Uruguay nog op veel sympathie kon rekenen. Daarna was het een vrije val en waren de Britten uit de gratie.
In Bolivia schreef de krant Presencia dat Engeland zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie van ridderlijkheid en fair play had ingeruild voor een voetbalbeker. Vanuit Buenos Aires werd melding gemaakt van boze telefoontjes, demonstranten bij de Britse ambassade en een incident bij een Britse stand op een landbouwtentoonstelling. De Argentijnse nederlaag was voor veel mensen niet langer een wedstrijd die verkeerd was afgelopen. Vooral door het publieke naspel rond aanvoerder Rattín werd zij ervaren als een aanval op het land zelf. Britse diplomaten vreesden dat het litteken nog jarenlang zichtbaar zou blijven.

De regering in Londen hoopte dat Stanley Rous de spanning kon verminderen. Als president van de FIFA moest hij met een blauwe helm op alle partijen voor zich zien te winnen en de vrede bewaren. Tijdens de eerste FIFA-bijeenkomst na het toernooi koos hij echter een andere koers. Rous prees Brazilië, Chili en Uruguay voor de sportieve wijze waarop zij hun nederlagen hadden aanvaard, maar veroordeelde de heldenontvangst die Argentinië de teruggekeerde spelers had gegeven. Volgens hem verdiende de ploeg geen bewondering, maar afkeuring van de eigen bevolking.
Zelfs binnen het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken werd met verbazing op zijn optreden gereageerd. Een ambtenaar schreef dat Rous de hele situatie op betreurenswaardige wijze had aangepakt. Buiten Europa werd Rous vooral gehoord als een Engelsman die zijn land verdedigde. Daarmee bevestigde hij onbedoeld precies het beeld dat hij had moeten ontkrachten.
Geen bewijs, wel een geur
In die vermenging van functies en loyaliteiten bij Rous lag het werkelijke probleem. Zijn lange verleden bij de Engelse voetbalbond, zijn positie bij de FIFA en het toernooi in zijn eigen land waren al voldoende om iedere beslissing verdacht te maken. Toen Rous vervolgens de Zuid-Amerikaanse kritiek afdeed en vooral Argentinië terechtwees, verdween de rol van onafhankelijke bestuurder bijna volledig. De schijn van belangenverstrengeling was dan ook sterk.
Toch was het net als in 2026 bovenal een smeulend vuur waarop telkens een nieuwe scheut benzine werd gegoten. De naïviteit van de organisatie, de hooghartigheid van de Britse voetbalbestuurders en de botsende voetbalculturen maakten de brand vrijwel onblusbaar. Een fik, opgetrokken uit aannames. Historici hebben in de archieven geen bewijs gevonden voor een vooropgezet spel. En ook officials hebben zich nooit uitgelaten over bevelen van bovenaf. Sterker nog, Britse diplomatieke stukken laten vooral zien hoe bezorgd de regering was over de beschuldigingen.
Zestig jaar later waren de rollen omgekeerd. Nu werd Argentinië ervan beschuldigd door de FIFA, de arbitrage en de commercie te worden beschermd. Messi nam in de theorieën de plaats van Engeland in en Infantino werd de nieuwe Rous. Ook ditmaal was een reeks discutabele momenten voldoende om een groot vooropgezet plan te ontwaren. Het enige wezenlijke verschil was de snelheid waarmee het verhaal zich verspreidde. In 1966 waren daarvoor krantencommentaren, radioverslagen, diplomatieke telegrammen en een lange terugreis over de Atlantische Oceaan nodig. Tegenwoordig volstaan een vertraagde herhaling, een stilgezet beeld en enkele woedende berichten op sociale media.