Oorsprong van het spel

Van cricket via aids naar een pakje kauwgom: de geschiedenis van de voetbalscheenbeschermer

VVV-Venlo-speler Edhy Zuliani droeg afgelopen weekend in de Nederlandse eerste divisie wel heel bijzondere scheenbeschermers. Op een inmiddels verwijderde foto staken twee pakjes kauwgom uit zijn kousen. Zuliani staat niet alleen in zijn voorkeur voor minimale bescherming. In het moderne voetbal is het schild uit de jaren negentig verschrompeld tot een stukje plastic dat vooral niet in de weg mag zitten.

Al bijna veertig jaar zijn voetballers verplicht hun schenen te beschermen. De aanleiding daarvoor lag bovendien niet bij gebroken benen en vliegende tackles, maar had opvallend genoeg te maken met de aidsepidemie. In november 1987 kwam de medische commissie van de FIFA met het advies om scheenbeschermers verplicht te stellen.

In de jaren tachtig was aids omgeven door vraagtekens, waardoor de angst zich diep in de samenleving had genesteld. Bekend was dat hiv zich via bloed kon verspreiden. En hoewel het voetbalveld daarvoor een onwaarschijnlijk decor leek, werden er toch maatregelen genomen. Want vooral rond het scheenbeen lag de huid als dun papier over het bot gespannen. Eén sliding, een verdwaalde noppenzool of een ongelukkige botsing was genoeg om bloed te laten vloeien.

Ruilen van bezwete shirts

De medische commissie van de FIFA wees bovendien op de primitieve manier waarop dergelijke verwondingen langs de lijn werden behandeld. De verzorger kwam het veld op met een spons en een emmer water, depte de wond schoon en gebruikte diezelfde spons niet zelden even later bij een andere speler. Steriele handschoenen, afzonderlijke doeken en uitgebreide hygiëneprotocollen moesten in het voetbal nog gemeengoed worden. De commissie vreesde daarom dat spelers via open wonden met besmet bloed in aanraking konden komen.

Het voorstel tot het verplichten van scheenbeschermers maakte deel uit van een bredere discussie over hiv en voetbal. Er werd zelfs gesproken over de risico’s van het ruilen van bezwete shirts en het omhelzen van ploeggenoten na een doelpunt. Met de kennis van nu lijkt die angst groter dan het gevaar ooit was. De Wereldgezondheidsorganisatie concludeerde in 1989 dan ook al dat de kans op overdracht van hiv tijdens het sporten zeer klein was. Daarvoor moest besmet bloed rechtstreeks in een open wond of op een slijmvlies van een ander terechtkomen. Toch woog de vrees zwaarder dan die geringe kans.

Zo belandde het advies van de medische commissie uit 1987 enkele jaren later in de spelregels. Rond 1990 werd de scheenbeschermer een verplicht onderdeel van de voetbaluitrusting. Bescherming tegen trappen en blessures speelde vanzelfsprekend mee, maar de aidsepidemie gaf de invoering een belangrijke impuls.

Een cricketpad onder de kous

De scheenbeschermer zelf was toen al ruim een eeuw oud. De uitvinding wordt doorgaans toegeschreven aan Sam Weller Widdowson, een Engelsman die in de negentiende eeuw zowel voetbalde als cricket speelde. Bij die laatste sport droegen spelers al grote beschermende platen voor hun onderbenen. Widdowson zou in de jaren zeventig van de negentiende eeuw stukken van een cricketpad hebben afgezaagd en om zijn schenen hebben gebonden.

Zijn ploeggenoten bij Nottingham Forest vonden het aanvankelijk maar een merkwaardig gezicht. Voetbal hoorde pijn te doen en bescherming paste niet bij het beeld van de onverschrokken Engelse sportman. Toen bleek dat Widdowson na een trap tegen zijn benen gewoon verder kon, maakte hoongelach langzaam plaats voor belangstelling. Andere spelers namen het idee over.

De eerste exemplaren waren gemaakt van leer, katoen en hout. De negentiende-eeuwse beenbeschermers waren zwaar, namen vocht op en zaten vermoedelijk net zo comfortabel als twee dakpannen onder een paar kousen. In de decennia daarna moderniseerde het voetbal en in het kielzog ook de scheenbeschermer. Er kwamen lichtere materialen. Leer maakte plaats voor kunststof, harde buitenlagen werden gecombineerd met schuim en fabrikanten probeerden de platen beter naar het onderbeen te vormen. Verplicht werden ze echter niet. Tot ver in de jaren tachtig waren op televisie spelers te zien met afgezakte kousen en onbeschermde schenen. De minischilden werden als oncomfortabel gezien. Pas toen de scheenbeschermer verplicht werd, verdween die keuzevrijheid.

Het pantser van de jaren negentig

Wie in de jaren negentig voetbalde, schoof niet simpelweg een scheenbeschermer onder zijn kous. Je gespte een klein harnas om het onderbeen. Een harde plastic plaat strekte zich uit van de enkel tot vlak onder de knie, alsof geen centimeter scheenbeen onbewaakt mocht blijven. Onderaan verdween een stoffen stijgbeugel onder de voet, terwijl twee dikke kussens de enkels bewaakten. Een elastische band met klittenband trok het bouwwerk rond de kuit bijeen. Nooit zaten de krengen precies goed: óf ze knepen de bloedsomloop af, óf het hele gevaarte kwam door een uitgerekt elastiek al bij de eerste sprint boven de vormloze amateurvoetbalsok vandaan.

Na een regenwedstrijd was het helemaal hosanna, De beschermers leken wel twee keer zo zwaar. Eenmaal uitgetrokken vulden ze de kleedkamer met de onmiskenbare geur van voetbalnostalgie, die qua intensiteit moeiteloos kon wedijveren met die van een dierenasiel tijdens de zomervakantie. Na afloop trok je het gevaarte van een bezweet been en verdween het in de sporttas, waar het doorgaans tot de volgende training bleef liggen.

Scheenbeschermersreclame in de jaren negentig met Bryan Robson, Gary Lineker en Ian Rush

Hoe groter de plaat, hoe veiliger hij leek was het credo in de jaren negentig. Die kolossale beschermers pasten perfect bij het voetbal van die tijd. Shirts vielen ruim, voetbalschoenen waren zwaar en verdedigers konden nog een tackle inzetten waarvoor tegenwoordig eerst de VAR ingrijpt en daarna vermoedelijk de tuchtcommissie bijeenkomt.

Jack Grealish en de grote krimp

Zoals shirts strakker en schoenen lichter werden, begon ook de scheenbeschermer te krimpen. Nieuwe kunststoffen maakten dunnere modellen mogelijk. Tegelijk wilden spelers minder ballast en meer bewegingsvrijheid. De enkelstukken verdwenen, de stijgbeugel werd overbodig en de elastische band maakte plaats voor geriefelijke bevestigingsmiddelen.

Het bekendste uithangbord van die ontwikkeling werd Jack Grealish. De Engelse international speelt met afgezakte kousen en scheenbeschermers die bedoeld lijken voor kinderen van zeven of acht jaar. Het begon toen hij als vijftienjarige een seizoen lang met gekrompen trainingskousen moest spelen. Hij presteerde goed en wat begon als ongemak, veranderde in bijgeloof. De lage kousen en piepkleine plaatjes werden uiteindelijk net zo herkenbaar als zijn kuiten en haarband.

Daarmee veranderde ook het idee achter de bescherming. De scheenbeschermer hoefde niet langer het halve onderbeen af te dekken, maar moest vooral voldoen aan de spelregels. Daarin staat dat scheenbeschermers van geschikt materiaal en passend formaat zijn en redelijke bescherming bieden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de voetballer zelf.

Wat ‘redelijk’ precies betekent, blijft voor discussie vatbaar. Zo ontstond ruimte voor modellen ter grootte van een bankpas, een speelkaart of zelfs een pakje kauwgom. Ze wegen bijna niets en zijn onder lage kousen nauwelijks zichtbaar. Of ze nog werkelijk beschermen, lijkt van ondergeschikt belang.

Waardeer je dit verhaal?

Steun mijn journalistiek

Een vrijwillige bijdrage helpt bij nieuw archiefwerk, boeken en onderzoek naar vergeten voetbalverhalen.

Bedrag € -