Lieve papa,
Het WK heeft dit weekend de fase bereikt waarin trainers niet langer alleen naar de stand en het doelsaldo kijken, maar ook naar de fysieke gesteldheid van hun spelers. Wie heeft nog negentig minuten in de benen? Welke trainer kan zijn spelers sparen? En welke linksback is na twee wedstrijden rijp voor een ijsbad, een uitgebreide massage en een lekker winkelmiddag in een shoppingmall in plaats van de tactische voorbereiding op een nietszeggend laatste duel.
Het is vooral de luxe positie waarin de toplanden verkeren. Nergens werd dat zo ontluisterend zichtbaar als bij Frankrijk–Noorwegen. Na Nederland–Japan en Brazilië–Marokko het enige affiche in de groepsfase waarvoor zelfs de fanatiekste Trump- én WK-boycotter toch even naar NPO 1 zappt. Alleen Noorwegen speelde met een B-elftal en vergalde daarmee een leuke voetbalavond.
In de vele studio’s, podcasts, YouTube-uitzendingen en allerlei andere multimediale WK-uitingen struikelden kenners en opportunisten over elkaar om te praten over belastbaarheid, herstel en ritme van de spelers. Woorden die zo klinisch klinken dat ze net zo goed uit de behandelkamer van de dorpsdokter kunnen komen.
Tien jaar geleden draaide jouw leven eigenlijk om hetzelfde. Alleen kon er bij jou geen frisse kracht worden ingebracht. Jij moest de energie die je lichaam nog beschikbaar stelde zelf over een hele dag zien te verdelen.
Dat je COPD had, wist je al. Alleen niet hoe ernstig het was. Je lichaam had de schade jarenlang redelijk weten te verbergen. De ziekte hing ergens op een bepaald niveau, zo legde je het zelf uit. Niet goed, maar beheersbaar.
In de dagen rond het tuinfeest vanwege je dertigjarige huwelijk in 2017 lukte dat niet meer.
Je was normaal gesproken al buiten geweest voordat je ’s ochtends onder de douche stapte. Eerst een rondje langs de planten. Even kijken wat er bloeide, wat water nodig had en welk stukje tuin zich zonder jouw toestemming anders had ontwikkeld dan de bedoeling was. Aan het einde van de dag volgde nog een laatste inspectie. Controleren of de sproeiers aanstonden en of alles klaar was voor de nacht.
In de dagen voorafgaand aan dat feest kon je dat dagelijkse ritme niet meer volhouden. De drukte, de voorbereidingen en de mensen om je heen kostten meer energie dan je lichaam nog kon leveren. Volgens mij was dat het moment waarop ik voor het eerst echt doorhad dat er iets aan de hand was. Niet omdat je uitgebreid vertelde over je longen of hart, maar juist omdat je de dingen niet meer deed die zo vanzelfsprekend bij jou hoorden.
Je ging namelijk vaker zitten.
Het rondje door het bos dat je altijd met mama liep, verdween als eerste uit je programma. Daarna werden ook kleinere afstanden ingewikkeld. Stukken die je vroeger aflegde zonder erover na te denken, veranderden in ondernemingen waarvoor rustpunten, weersverwachtingen en de locatie van het dichtstbijzijnde bankje moesten worden meegenomen.
De enige geruststelling was dat je toen al was gestopt met roken. De buidel shag had je op tijd aan de kant gelegd, voor zover er na tientallen jaren überhaupt nog van op tijd kon worden gesproken. Niemand hoefde je in ieder geval meer uit te leggen dat doorgaan geen verstandig idee was.
Voor vrienden en familie wist je de ernst van je gezondheid behoorlijk goed te verbergen. Je hield voldoende rust, plande je inspanningen en zorgde ervoor dat je op de juiste momenten nog even kon pieken. Wie je een paar uur zag, kreeg daardoor niet altijd mee hoeveel voorbereiding en herstel daarvoor nodig waren.
Dat je op Franse akkers bijna een etmaal lang biologische bestrijdingsmiddelen ging uitzetten, klinkt achteraf bijna onvoorstelbaar. Om vier uur ’s ochtends vertrok je en pas laat in de avond kwam je terug. Wanneer je thuiskwam, was je uitgeput. Logisch, dachten we: wie zo lang onder de brandende Franse zomerzon werkt, mag aan het einde van de dag instorten. We hadden wel het vermoedde dat niet alleen het werk, maar ook je longen iedere dag een rekening bij je neerlegden. Alleen liet je het niet blijken.
Een jaar later werd het nog ernstiger. Je werd op een zondagochtend wakker met een polsslag van ongeveer 140. Omdat je vermoedde dat het weleens een lange ziekenhuisdag kon worden, besloot je eerst uitgebreid te ontbijten.
Dat leek op dat moment verstandig. Je ging immers niet met een lege maag de deur uit.
In het ziekenhuis bleek het precies de verkeerde keuze. Voordat ze je een elektrische schok mochten geven om je hartritme weer enigszins in het gareel te krijgen, moest je nuchter zijn. Door die boterhammen kon je ongeveer acht uur wachten. Daar lag je dan, met een hartslag die zich gedroeg alsof je de Alpe d’Huez aan het beklimmen was, terwijl jij alleen maar probeerde je ontbijt te verteren.
Uiteindelijk volgde het schokje. Daarna kwamen de ziekenhuisrust, de bloedverdunners en een hogere dosis bètablokkers. Medicijnen die je hart moesten beschermen, maar tegelijkertijd een rem zetten op de hartslag die je nodig had om je in te spannen. Ze hielpen je vooruit door je lichaam verder af te remmen.
Medische logica.
Je longen en hart vormden samen een giftige cocktail waar geen parasolletje of schijfje citroen iets vrolijks van kon maken. Zodra het hart minder goed ging functioneren, kieperde ook je conditie naar beneden. Niet geleidelijk, maar alsof iemand plotseling een stekker uit je lichaam had getrokken.
Het werd het begin van een strijd die meer dan zeven jaar zou duren.
Die strijd was misschien nog wel zwaarder in je hoofd dan in je lichaam. De eerste jaren moest je vooral leren dat dit geen tijdelijke terugslag was. Er zou geen ochtend komen waarop je wakker werd en alles ineens weer functioneerde zoals vroeger. Geen behandeling waarna het bosrondje gewoon opnieuw in de agenda kon worden gezet.
Dat definitieve karakter vond je moeilijk te accepteren.
Je toekomstbeeld bleef positief en dikwijls niet bijzonder realistisch. Er kwam altijd nog een behandeling, een hulpmiddel of een opleving waardoor je straks weer wat meer zou kunnen, was je overtuiging. Over een paar maanden zou het vast beter gaan. Na de revalidatie misschien. Of wanneer de hoeveelheid medicijnen goed waren afgesteld.
Dat optimisme heb ik van je geërfd. Het vermogen om de werkelijkheid zo lang mogelijk vriendelijk aan te kijken, zelfs wanneer die daar weinig aanleiding toe geeft.
Misschien hield je jezelf soms voor de gek. Maar het zorgde er ook voor dat je niet wegzakte in een depressie. Waar realisme je alleen maar vertelde wat je allemaal niet meer kon, liet jouw optimisme altijd ergens een kier open.
Er kwamen ook apparaten bij. Eerst de kleine puffertjes die ook astmapatiënten gebruiken. Daarna serieuzere hulpmiddelen voor je ademhaling en de toevoer van zuurstof. Langzaam veranderde het huis in een bescheiden dependance van de thuiszorg.
Ook de hoeveelheid medicijnen groeide ieder jaar. Eerst paste alles nog overzichtelijk op één plank. Later nam jouw apothekersvoorraad een steeds groter gedeelte van de kast in beslag. Uiteindelijk was er een keukenkast ingeruimd voor de blisterverpakkingen.
De wekker op je telefoon kreeg een functie. Niet om wakker te worden. Hij meldde vooral dat het weer tijd was voor de wandeling naar de medicijnkast. Voor de volgende dosis pillen die je lichaam overeind moest houden.
Na de medische acceptatie kwam een volgende stap: beseffen dat andere mensen steeds meer voor je moesten doen.
Dat moet voor jou verschrikkelijk zijn geweest. Jij was gewend om zelf zaken te regelen. Om in de tuin te werken, een ladder te pakken, iets te repareren of zonder overleg een project te beginnen waarvan de rest van het gezin pas op de hoogte werd gebracht wanneer de eerste schroeven al in de muur zaten.
Nu moest je vragen of iemand iets wilde pakken.
Of tillen.
Of meenemen.
En dan tussendoor ook nog accepteren dat een rollator bij je leven ging horen. Die rollator was het moeilijkst. Maanden, misschien wel jaren, heb je je daartegen verzet. Voor je zeventigste achter zo’n ding lopen voelde voor jou alsof je voortijdig was toegelaten tot een levensfase waarvoor je je nog lang niet had aangemeld.
Toen de rollator eenmaal was geaccepteerd, volgde de rest iets gemakkelijker. Er kwam een traplift, een scootmobiel en een netwerk van zuurstofslangen dat zich door het huis kronkelde. Wie niet goed oplette, kon in de woonkamer struikelen over de apparatuur die juist bedoeld was om jou veilig overeind te houden.
Als laatste kwamen een speciale stoel en een auto met een hoge instap.
Je zag jezelf met al die spullen als een oude opa, terwijl je in je hoofd nog altijd dezelfde man was die ’s ochtends voor het douchen een rondje door de tuin liep.
Ieder hulpmiddel liet zien wat je niet meer kon.
Maar tegelijkertijd gaf het je iets terug. De rollator bracht je nog ergens naartoe. De scootmobiel vergrootte de wereld die steeds kleiner was geworden. De traplift zorgde ervoor dat de slaapkamer niet volledig buiten bereik raakte. Zelfs die slangen door het huis waren geen teken dat je had opgegeven, maar dat je nog steeds probeerde door te gaan.
Misschien is dat wat mij het meest bijblijft.
Op het WK zouden ze dat doorzettingsvermogen noemen. Over de pijngrens heen gaan om te worden toegejuicht.
Bij jou was het minder heroïsch. Gewoon een man die vanuit zijn speciale stoel overeind probeerde te komen, controleerde of zijn zuurstofslang nergens achter bleef haken en daarna met zijn rollator langzaam richting de tuin liep.
Om toch nog even bij de planten te kijken.
Liefs,
Matthijs