Hoewel Napoli officieel op 25 augustus 1926 zijn intrede maakte, houdt de club zelf 1 augustus 1926 aan als oprichtingsdatum, precies één dag voordat de beruchte Carta di Viareggio werd gepubliceerd. De op zijn minst discutabele geboorte van de club viel daarmee samen met een ingrijpende hervorming van het Italiaanse voetbal. Met het nieuwe reglement trok het fascistische regime van Benito Mussolini ook de populairste sport van het land verder naar zich toe.
Napoli mocht door de reorganisatie van het Italiaanse voetbal in het seizoen 1926/1927 direct op het hoogste niveau uitkomen. De club begon dan ook niet helemaal opnieuw, maar was een voortzetting van Internaples, dat een seizoen eerder de finale van de Zuid-Italiaanse competitie had bereikt. De Carta di Viareggio bracht de tot dan toe grotendeels gescheiden voetbalwerelden van Noord- en Zuid-Italië bij elkaar. Hoewel de noordelijke clubs sportief veel verder waren, kregen voortaan ook clubs uit Rome en Napels toegang tot de Divisione Nazionale, de voorloper van de Serie A.
Toen die landelijke competitie ontstond, was Mussolini vier jaar aan de macht. Met politiek geweld, moord en het buitenspel zetten van tegenstanders en politieke partijen had hij zijn positie verstevigd. Toch was Italië nog geen volgzaam land. Het fascistische regime zocht daarom naar manieren om de bevolking te bereiken, te beïnvloeden en uiteindelijk aan zich te binden.
Voetbal leende zich daar uitstekend voor. Sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog was het uitgegroeid tot volkssport nummer één. Iedere week kwamen duizenden Italianen samen rond het veld en lazen nog veel meer mensen over de wedstrijden in de krant. Beetje bij beetje brachten de Zwarthemden daarom ook het geliefde calcio onder controle van het regime.
Onterecht doelpunt van Bologna
De Fascistische Partij had zich tijdens de eerste jaren van haar heerschappij al enkele keren laten gelden in de Italiaanse voetbalwereld. In 1925 stonden tijdens de finale van de noordelijke titel Bologna en Genua tegenover elkaar. Nadat beide teams ieder een wedstrijd met 2-1 hadden gewonnen, moest een derde krachtmeting op neutraal terrein uitsluitsel geven.
Genua, de regerend landskampioen, ging furieus van start. Bij rust stond de ploeg al met 2-0 voor. Deze tussenstand was echter tegen het zere been van Leandro Arpinati, Bologna-supporter en de lokale leider van de fascisten.
Nadat halverwege de tweede helft een schot van een van de Rossoblù via de doelman van Genua naast het doel verdween, stuurde Arpinati een leger Zwarthemden richting de scheidsrechter. De arbiter werd een kwartier lang omringd door dreigende fascisten en koos uiteindelijk eieren voor zijn geld. De gegeven corner werd omgezet in een geldig doelpunt. Bologna scoorde vervolgens nog eenmaal, waardoor een vierde duel de beslissing moest brengen.

De beslissingswedstrijd, die in Turijn werd afgewerkt, eindigde wederom in een gelijkspel. Beide supportersgroepen liepen na afloop teleurgesteld terug naar treinstation Porta Nuova. Terwijl de trein met Bologna-supporters net wegreed, kwamen de tifosi van Genua het perron opgelopen. Er werd geschoten vanuit de trein en enkele supporters van Genua raakten gewond. Doden vielen er uiteindelijk niet, maar het voorval leidde tot een onderzoek van de Italiaanse voetbalbond en vragen in het parlement.
Door het incident was duidelijk geworden dat voetbal meer geworden dan een sport, het was een maatschappelijk fenomeen. Bologna won de vijfde en beslissende wedstrijd en werd uiteindelijk landskampioen. Een voorval dat ze in Genua nog altijd dwarszit. In de oerjaren van het Italiaanse voetbal waren de kustbewoners namelijk de te kloppen ploeg.
Omdat Genua een havenstad was, waren er veel contacten met Engeland. Hierdoor speelde men in Genua heel vroeg voetbal. Dit leidde in de beginjaren tot in totaal negen landskampioenschappen. Die tiende titel werd mede door dit voorval nooit behaald, waardoor alleen Juventus, AC Milan en Internazionale met een kampioensster op de borst mogen spelen. Tot ver in de jaren zeventig werd er daarom door fanatieke supporters in Genua niet over Bologna gesproken, maar over ‘de dieven’.
De serie wedstrijden tussen Bologna en Genua kreeg echter nog een staartje. De scheidsrechter die tijdens het derde onderonsje werd belaagd door fascistische milities, was de baas van het Italiaanse scheidsrechterskorps. Deze Giovanni Mauro vond dat de arbiters beter beschermd moesten worden en dat er minder controle moest zijn over hun handelen. Vooral de grote Italiaanse clubs van die tijd bemoeiden zich via de voetbalbond of de overheid met de scheidsrechters. Er was zelfs een zwartboek over de arbiters in omloop.
Voor Mauro was de maat vol. Hij schreef in het vakblad voor scheidsrechters dat de eerbied en het respect voor arbiters terug moesten komen. Ze waren volgens hem eerder clowns op het veld dan rechters die het spel beoordeelden.

De druppel die de emmer deed overlopen, was de wedstrijd tussen Casale en Torino in februari 1926. De scheidsrechter van dienst had een doelpunt van de bezoekers afgekeurd, omdat volgens hem ‘de heldere geest’ ontbrak bij het maken van de treffer. De club uit Turijn tekende protest aan tegen het besluit. Dit werd gehonoreerd door de Italiaanse voetbalbond en de wedstrijd werd ongeldig verklaard.
Gefluisterd werd dat dit gebeurde omdat Torino een lening aan de bond had verstrekt en zodoende een wit voetje had gehaald. De scheidsrechters zagen het besluit als een ondermijning van hun gezag en gingen over tot een staking. Dit hield in dat ze geen wedstrijden meer zouden fluiten en de Italiaanse competitie dus op zijn gat lag.
Carta di Viareggio
Het regime van Benito Mussolini zag zijn kans schoon om ook de Italiaanse voetbalcompetitie naar zijn hand te zetten. Lando Ferretti, voorzitter van het Italiaans olympisch comité en lid van de fascistische partij, stelde een commissie samen die het voetbal grondig moest hervormen.
Die commissie bestond uit Italo Foschi, een Romein die in de hoofdstad al ervaring had opgedaan met het vervlechten van fascisme en sport, Bologna-voorzitter Paolo Graziani en scheidsrechtersbaas Giovanni Mauro. In de zomer van 1926 trok het drietal naar de Toscaanse badplaats Viareggio om daar in alle rust een nieuwe voetbalorde te smeden.
De zogenoemde Carta di Viareggio veroorzaakte een aardverschuiving in het Italiaanse voetballandschap. Tot het manifest op 2 augustus 1926 naar buiten kwam, waren de spelers in de Italiaanse competitie op papier nog amateurs. In werkelijkheid bestonden er allerlei schimmige constructies om hen toch te betalen. De situatie was enigszins te vergelijken met die op de hoogste amateurniveaus in Nederland aan het begin van deze eeuw. Voetballers belandden bijvoorbeeld op de loonlijst van bedrijven van clubsponsors, zonder daar daadwerkelijk te werken.
Aan die schijnamateurstatus kwam nu een einde. Na Oostenrijk, Spanje en Hongarije omarmde ook Italië het profvoetbal. Daarmee was het het vierde land op het Europese vasteland dat de sport officieel professionaliseerde.
Oriundi
Vanuit de Zwarthemden van Mussolini werden enkele restricties aan de competitie opgelegd om de sport van het volk voor fascistische doeleinden te gebruiken. Zo mochten er vanaf 1928 geen buitenlanders meer deel uitmaken van de selecties.
Dit had grote gevolgen. Toen het manifest werd gemaakt, waren ongeveer tachtig buitenlanders actief op het hoogste Italiaanse niveau. Deze spelers waren veelal afkomstig uit Oostenrijk en Hongarije. Dit kwam doordat in de jaren twintig de voetbalstroming met de naam ‘Donauschool’ enorm populair was en de spelers uit die twee landen de tactiek het beste onder de knie hadden.
Sommige spelers kozen daarom voor een trainersloopbaan, wat ze geen windeieren legde. De Hongaar Árpád Weisz won in de jaren dertig meerdere malen de Serie A en zijn landgenoot Ernest Erbstein zou de architect worden van het grote Torino van eind jaren veertig.
Ondertussen zochten de clubs naar oplossingen om de kwaliteitsachteruitgang op te
vangen. Met een schuin oog werd gekeken naar Zuid-Amerika. Uruguay liet op de
Olympische Spelen van 1924 zien een mondiale voetbalmacht te zijn en vier jaar later, in
Amsterdam, schaarde ook Argentinië zich daarbij. Omdat eind negentiende eeuw een groot
gedeelte van de bevolking uit de laars van Europa het schip had genomen naar de ‘nieuwe
wereld’, zaten daar veel spelers met Italiaans bloed.
Voetballers uit de verschillende gemeenschappen aldaar werden overgehaald om betaald voetbal te komen spelen in de Serie A. Zo kon het zijn dat dat Luis Monti met Argentinië in 1930 de WK-finale verloor en hem vier jaar later met Italië won. Andere voorbeelden waren de Uruguayanen Ettore Puricelli en Pedro Petrone, die topscorers van Italië zouden worden. In die zoektocht naar vervanging van spelers van de Donau-school ontstonden de oriundi: spelers met een buitenlandse nationaliteit, maar van Italiaanse komaf.
Zo kon het zijn dat Luis Monti in 1930 met Argentinië de WK-finale verloor en vier jaar later met Italië wereldkampioen werd. Andere voorbeelden waren de Uruguayanen Ettore Puricelli en Pedro Petrone, die topscorer van Italië zouden worden. In de zoektocht naar vervanging van spelers uit de Donauschool ontstond er dus een nieuw fenomeen, de oriundi: spelers met een buitenlandse nationaliteit, maar van Italiaanse komaf.

De Italiaanse competitie was opgedeeld in allerlei regionale bonden en competities, die allemaal hun eigen stem hadden. Daar maakte het trio in Viareggio middels het manifest een einde aan. Alles werd ondergebracht bij de Italiaanse voetbalbond, die meteen een nieuwe voorzitter kreeg. De eerdergenoemde Arpinati, die scheidsrechter Mauro nog had bedreigd met zijn Zwarthemden, kreeg deze taak.
Het eerste wat Arpinati, die inmiddels burgemeester van Bologna was geworden, deed, was het hoofdkantoor van de voetbalbond verplaatsen van Turijn naar zijn eigen geliefde stad.
Vervolgens werden de directies van de clubs aangepakt. Vanaf het seizoen 1927-1928 was het verplicht dat elke vereniging die bij het Italiaanse olympische comité was aangesloten een leidinggevende had die de goedkeuring van de provinciale fascistische sportorganisatie had. Dit hield in dat niet alleen alle voetbalclubs, maar iedere sportvereniging onder de invloedssfeer van Mussolini kwam te vallen.
Ook de competitiestructuur werd veranderd. De competitie was zoals gezegd opgedeeld in een noordelijke en een zuidelijke variant. De twee kampioenen van beide landsdelen speelden aan het einde van het seizoen tegen elkaar en maakten uit wie landskampioen werd. Die tweestrijd was doorgaans een formaliteit voor de noordelijke teams. Het klassenverschil tussen beide landshelften was enorm. Zo ook in augustus 1926, toen Juventus de zuidelijke kampioen Alba Roma over twee wedstrijden met 12-1 versloeg.
Om de nationale eenheid te verbeteren werd een landelijke competitie gesmeed. De noordelijke voetbalclubs waren echter zo machtig op het voetbalveld dat de verdeling niet gelijk kon zijn. De gebieden vlak onder de Alpen leverde maar liefst zeventien teams, terwijl slechts drie ploegen uit het zuiden werden toegelaten. Dit waren Napoli, Alba Audace, een fusie van de zuidelijke kampioen Alba Roma en stadsgenoot Audace Roma en Fortitudo Pro Roma, eveneens een pas opgerichte fusieclub.
Dat die laatste club werd toegevoegd, was bijzonder. Hier kwam weer de vriendjespolitiek om de hoek kijken die zo kenmerkend is voor dictatoriale regimes. De grote Noord-Italiaanse steden Turijn, Milaan waren met twee clubs vertegenwoordigd in de nieuw te vormen competitie, terwijl Genua er zelfs drie had. De Romeinse sportbestuurder Foschi wilde dat zijn stad eveneens goed zichtbaar was. Zo geschiedde.
Aanslag
De twintig teams werden verdeeld over twee competities van tien clubs, waarna de beste drie ploegen uit beide poules een kampioenscompetitie vormden. De winnaar van die competitie mocht zichzelf de beste van Italië noemen. Zo kon op 3 oktober 1926 het eerste seizoen van de Divisione Nazionale, nog niet de Serie A, van start gaan. Het was het begin van een, zelfs voor Italiaanse begrippen, onstuimig voetbaljaar.
Zwarthemd Arpinati had ervoor gezorgd dat Bologna een nieuw stadion kreeg. Hij legde zelf de eerste steen in 1925 en liet het stadion ruim een jaar later door Mussolini inwijden. Dit gebeurde op 31 oktober, tijdens de herdenking van het vierjarige jubileum van de Mars op Rome. Deze mars, waardoor Mussolini en zijn Zwarthemden in 1922 de macht grepen, was een van de hoogtepunten op de kalender van de fascistische partij.
Il Duce ging op een wit paard het Stadio Littoriale, tegenwoordig het Stadio Renato Dall’Ara, binnen. Na enkele formele handelingen en een toespraak ging hij terug naar het treinstation van Bologna. Arpinati escorteerde hem in een open auto door de stad. Tijdens die tocht werd een schot op de dictator gelost. De aanslag miste doel. Terwijl de premier zijn tocht afmaakte, werd de vermoedelijke aanslagpleger, de vijftienjarige Anteo Zamboni, door een groep Zwarthemden op straat vermoord.

Wat voor Hitler de Rijksdagbrand van 1933 was, was voor Mussolini de aanslag in Bologna. De democratie werd definitief de nek omgedraaid. Binnen een maand werden nieuwe wetten uitgevaardigd. Alleen de fascistische partij werd nog getolereerd in het Italiaanse parlement. Er werd een geheime dienst opgezet om het fascisme te beschermen en de doodstraf werd na bijna veertig jaar opnieuw ingevoerd.
Ondertussen ging de competitie gewoon door. In poule A plaatsten Genua, Juventus en Inter zich voor de kampioenspoule. In poule B vormden Torino, Bologna en AC Milan de afvaardiging. Een van de sleutelwedstrijden in de strijd om het kampioenschap was de derby van 5 juni 1927 tussen Juventus en Torino. De roodhemden wonnen de Derby della Mole met 2-1 en de weg naar de titel lag open en zo geschiedde De scudetto werd een speelronde later gepakt door een ruime overwinning op AC Milan.
Omkoping
Toen Torino de titel al lang en breed had gevierd, ving journalist Renato Ferminelli een gesprek op tussen Juventus-speler Luigi Allemandi en Francesco Gaudioso, een student die als tussenpersoon optrad namens Torino. De speler zou nog 10.000 van de in totaal 25.000 toegezegde lire krijgen van de kersverse landskampioen. Dit bedrag was hem beloofd om met zijn team bewust van Torino te verliezen.
Het bestuur wilde het resterende bedrag echter niet betalen, omdat de voetballer volgens hen te goed had gespeeld in het stadsduel. De kranten uit die tijd onderschreven dat oordeel. Ferminelli publiceerde het verhaal dat hij had opgevangen en de teerling was geworpen.*
De Italiaanse bond deed onder druk van het regime onderzoek naar de zaak-Allemandi. Het parlement in Rome zat ermee in zijn maag dat de nationale uitstraling van het net in het leven geroepen landelijk kampioenschap zo was bevlekt. De verschillende verhalen die de ronde deden, werden snel doorgelicht en meerdere verdachten werden verhoord. Naast Allemandi zaten ook de Juventus-spelers Virginio Rosetta, Federico Munerati en Pietro Pastore in de verdachtenbank.
Zonder proces deed de bond, in de persoon van bondsvoorzitter Arpinati, begin november 1927 uitspraak. De titel werd Torino afgenomen en Allemandi, die ondertussen voor Inter uitkwam, werd voor het leven geschorst. Hetzelfde gold voor het bestuur van Torino. Munerati en Pastore kwamen weg met een kleine berisping, terwijl Rosetta zonder kleerscheuren uit de bureaucratische strijd kwam. De levenslange schorsing van Allemandi zou uiteindelijk slechts acht maanden duren. Na de Olympische Spelen van 1928, waarop Italië brons behaalde, werd hij te belangrijk geacht voor het nationale elftal. Met de Azzurri won hij in 1934 het wereldkampioenschap.

Logisch zou zijn geweest dat de titel naar de nummer twee van de competitie zou gaan. Dat was het Bologna van Arpinati. Onder druk van het regime in Rome werd hiervan afgeweken, om het niet te veel op belangenverstrengeling te laten lijken. Net als in 2005, na de omkopingszaak rond Juventus, kent de Italiaanse competitie van 1927 daarom geen officiële winnaar.
Ondertussen waren de drie teams uit het zuiden allemaal onderaan geëindigd en zouden ze eigenlijk moeten degraderen. Eén team uit het onderste gedeelte van de laars zou juist de omgekeerde weg bewandelen en een divisie omhooggaan: Lazio Roma.
Dit was tegen het zere been van de fascisten, die juist een competitie wilden over het gehele Italiaanse grondgebied. De bond breidde het aantal teams per poule uit naar elf, waardoor de zuidelijke ploegen op het hoogste niveau konden blijven. Ze moesten echter wel kunnen garanderen dat ze konden meekomen met de noordelijke teams. Napoli deed dit doordat Giorgio Ascarelli, een plaatselijke industrieel, zich opwierp en financiële garanties kon geven. In Rome kwam de plaatselijke sportbestuurder Foschi weer om de hoek kijken.
Italo Foschi was in de jaren rond het einde van de Eerste Wereldoorlog al actief als fascist. Onder zijn leiding ging het Romeinse sportleven op de schop en ontstond AS Roma.
Mede om meer tegenstand te bieden aan teams uit Milaan, Genua en Turijn werd AS Roma. De rol van beide Romeinse teams was bij het eerste landelijke kampioenschap namelijk ronduit bedroevend. Fortitudo Pro Roma werd kansloos laatste in poule B en Alba Audace moest in poule A alleen Napoli onder zich dulden. Foschi wilde in de geest van het regime één sterke club in de hoofdstad en besloot tot een fusie tussen beide clubs en het lager spelende Football Club Roma. Deze drie verenigingen vormden samen Associazione Sportiva Roma, kortweg AS Roma.
Lazio zou ook onderdeel moeten worden van deze fusie, maar de fascistische generaal Giorgio Vaccaro stak daar een stokje voor. Met polemieken in de krant, gescherm met geldleningen en nationalistische verhalen over Lazio wist hij zijn club uit handen van Foschi te houden. Hierdoor beschikte Rome ook in het seizoen 1927-1928 over twee teams in de hoogste klasse.
HNK Rijeka
Omdat de landelijke competitie vooral een strijd tussen steden onderling moest worden, wilde men niet dat er te veel teams uit één stad in de competitie meededen. Genua was met drie teams vertegenwoordigd: Genua, Andrea Doria en Sampierdarenese. Die laatste twee werden gedwongen tot een fusie en vormden de nieuwe club La Dominante. Na vele omzwervingen en fusies in en rond de kuststad werd dit in 1946 het huidige Sampdoria.
Zo werden meer teams gecreëerd om een echte stammenstrijd tussen steden op gang te brengen en de sociale rust in die plaatsen te bewaren. Onder andere ACF Fiorentina ontstond in 1926, doordat de Zwarthemden met lichte dwang Fiorentina Libertas en Club Sportivo Firenze tot een fusie dwongen. Twee jaar later kwam ook AS Bari voort uit een gedwongen samensmelting.
Zelfs HNK Rijeka uit Kroatië heeft zijn bestaan voor een groot gedeelte te danken aan de ijver van Mussolini’s sportbestuurders. Rijeka, in het Italiaans Fiume, was een stadstaat die in 1924 na het Verdrag van Rome door Italië werd geannexeerd. Om eenheid te kweken werden ook de voetbalclubs uit deze stad tot een fusie verplicht. Vervolgens maakten ze onder de naam US Fiumana deel uit van het Italiaanse voetballandschap. Deze club werd in 1946 opgeheven. Uit haar as verrees HNK Rijeka.
Daarmee waren de Zwarthemden er nog niet. Ook uitingen in vreemde talen en verwijzingen naar vijandelijke groeperingen moesten verdwijnen. Napoli was in 1922 ontstaan als fusieclub, maar niet door dwang vanuit de voetbalbond of het regime. De Joodse textielbaron Giorgio Ascarelli was de grote initiator van de fusie waaruit de huidige bespeler van het Stadio Diego Armando Maradona ontstond.
De club kreeg bij die fusie de naam Internaples mee, maar moest onder druk van Mussolini’s regime de naam wijzigen in Napoli. ‘Internationale’ deed volgens het regime denken aan de vijandige communisten. Bovendien was Naples de Engelse naam voor de stad en strookte dat niet met de nationalistische opvatting van één volk en één taal.
Napoli gedoopt
Op 25 augustus 1926 een kleine maand na het Carta di Viareggio werd de club Napoli gedoopt. Ascarelli werd de nieuwe voorzitter en creëerde het fundament voor een geduchte subtopper. Hij liet een stadion bouwen dat op 16 februari 1930 zijn deuren opende. Zeventien dagen later blies de oervader van Napoli zijn laatste adem uit. De plaatselijke tifosi vernoemden het stadion onmiddellijk naar de roemruchte bestuurder.
Tijdens het wereldkampioenschap van 1934 was het onderkomen zelfs het decor van de troostfinale. Het droeg toen wel de naam Stadio Partenopeo. Een stadion dat naar een Jood was genoemd, vonden de mannen in het zwart maar niets.

Bondsvoorzitter Leandro Arpinati regeerde het Italiaanse voetbal ondertussen met ijzeren vuist. Onder zijn leiding werd de hervorming van de competitie verder doorgezet. Vanaf het seizoen 1929/1930 moest er één landelijke competitie komen, waarin de beste zestien clubs van Italië elkaar zouden treffen. De regionale scheidslijnen die het Italiaanse voetbal jarenlang hadden bepaald, verdwenen daarmee definitief.
Giorgio Ascarelli, de invloedrijke voorzitter van Napoli, wist Arpinati er echter van te overtuigen om niet zestien, maar achttien clubs toe te laten. Daardoor mocht ook Napoli aanschuiven en was de club vanaf het allereerste seizoen van de nieuwe competitie van de partij.
Op 6 oktober 1929 ging zo de eerste Serie A van start. Een paar maanden later kroonde Ambrosiana, het huidige Internazionale, zich tot de eerste kampioen. De ploeg stond onder leiding van de Hongaars-Joodse trainer Árpád Weisz, terwijl Giuseppe Meazza met 31 doelpunten topscorer van de competitie werd.
Het Italiaanse voetbal had daarmee de vorm gekregen die het grotendeels nog altijd heeft. Mussolini had de sport definitief tot onderdeel van zijn politieke spel gemaakt.
*Over de zaak Allemandi doen zich meerdere verhalen voor. Dit is het verhaal wat volgens
de overlevering en verschillende bronnenonderzoeken het dichtst bij de werkelijkheid ligt.